Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eene keuze van zooveel gewicht kunnen doen. Men zou dan tevens ook nog dit niet gering te schatten voordeel verwerven, dat het gemakkelijker zou zijn, aan de hoogeschool van studie te veranderen, wanneer bleek dat men eene minder goede keuze had gedaan, en bovendien zouden zij, die tot de wetenschappelijke kringen behooren, een breederen gemeenschappelijken grondslag hebben en dus elkander beter kunnen verstaan en waardeeren."

Uit het meegedeelde blijkt, dunkt mij, overduidelijk dat de Commissie zelve terdege en voortdurend gevoeld heeft al het bedenkelijke, al de bezwaren, die aan het stelsel van vakleeraren verbonden zijn. De Commissie voelt in den grond dit stelsel als iets, dat licht overdreven, op de spits gedreven kan worden, dat gemakkelijk een „euvel" wordt, maar het stelsel zelf moet, koste wat het wil, gehandhaafd blijven. Om het „euvel" te temperen „zooveel doenlijk" te temperen, worden dan enkele palliatieven aangegeven : voor zoover mogelijk wil de Commissie hier en daar een paar vakken in één hand brengen, en alleen in de hoogere klassen acht zij vakleeraren volstrekt onmisbaar.

Als wij nu alles scherper gaan ontleden, stuiten wij in de meegedeelde beschouwingen op allerlei, waaraan de klem der klare gedachte ontbreekt. Ik stel hier dadelijk de zeer principieele vraag: heeft werkelijk goed onderwijs wel iets te maken met de onpersoonlijke dingen: leeftijd der leerlingen, klassen en vakken, is goed onderwijs niet een wondere zaak van persoon tot persoon, van docent tot leerling ? De Commissie oordeelt (p. 180) dat het stelsel van doorgevoerd vakleerarenonderwijs te vroeg begint. En dan gaat zij onmiddellijk voort: „de gevolgen zijn, dat het verstrekte onderwijs het bevattingsvermogen der jeugdige leerlingen niet zelden te boven gaat; dat voor elk vak in 't bijzonder te hooge eischen worden gesteld; dat de opvoedende kracht, die van den slechts voor één enkel onderdeel verantwoor-

Sluiten