Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gelijk, tot het standpunt van eenheid van het voorbereidend-hooger onderwijs terug te keeren, hoeveel er in abstracta ook voor zulk eene eenheid moge pleiten.

2e. Het tweede bezwaar ligt in de waardeering van het nut der oude talen voor het hooger onderwijs. Dat die waardeering niet grooter is, moet voor een deel aan de philologen, die aan de universiteit en het gymnasium ze hebben onderwezen, toegeschreven worden, voor een deel ook aan de praktische en realistische richting van den tijd.

De philologen hebben de studie der klassieke philologie in ons land jarenlang in eene eenzijdige kritische richting gedreven en daardoor leeraren gevormd, die tengevolge daarvan en ook door gebrek aan paedagogische opleiding niet begrepen, hoe ze het onderwijs in dat vak paedagogisch vruchtbaar moesten maken; die te weinig algemeen wetenschappelijk inzicht hadden om het nut van de studie der oude schrijvers voor de beoefening der andere wetenschappen aan hunne leerlingen te doen gevoelen.

Daarbij kwam nog, dat de wet op het middelbaar onderwijs eene categorie van leeraren in het leven riep, die, meestal niet wetenschappelijk gevormd, en dikwijls onbekend met de oude talen, zelfs aan gymnasia les hadden te geven in geschiedenis, Nederlandsch, Fransck, Duitsch of Engelsch. Daardoor trad bij dit onderwijs de beteekenis van de studie der oudheid niet in het licht en werd zelfs de gedachte gewekt, dat die studie vrijwel overtollige weelde was en den tijd, er aan besteed, niet waard.

De geest van den tijd, op het praktische gericht, drijft aan tot bespoediging der studie, om zoo vroeg mogelijk door ambt of betrekking, bedrijf of beroep een middel van bestaan of eene positie in het maatschappelijk leven te verwerven, en daar vooral de studie der klassieke talen veel tijd kost en geen zichtbaar of tastbaar nut afwerpt, rijzen klachten over verloren tijd en moeite, aan deze studie besteed. Werden nu deze klachten ongegrond verklaard door hen, die aan eene universiteit hebben gestudeerd of daar doceeren, dan zou het gezag van dezen misschien groot genoeg zijn om degenen, die niet gestudeerd hebben, te doen aannemen wat zij zelf niet in staat zijn te beoordeelen. Zoo is het echter niet. Velen van hen, die aan de universiteit hebben gestudeerd, maar

Sluiten