Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wen.l) Het is daarom vanzelfsprekend dat voor de samenstelling onderscheidene bronnen zijn gebezigd. De voorstelling, dat de geheele Pentateuch door één auteur, in casu Mozes, uno tenore zou zijn opgeschreven, en dat door dezen alle geslachtsregisters, tellingslijsten, itineraria, wetten, enz. öf door momenteele inspiratie öf uit eigen herinnering en verzinning zouden zijn te boek gesteld, is noch met een redelijk inzicht, noch met hetgeen wij overigens weten van het ontstaan van andere geschiedkundige boeken zoowel des Ouden als des Nieuwen Testaments (Koningen, Kronieken, Lukas) overeen te brengen. De Pentateuch wijst trouwens zelf, al is het ook uiterst spaarzaam, naar gebruikte bronnen heen: Num. 21:14 wordt aangehaald uit het Boek van de oorlogen des Heeren, en ook in Num. 21:17 v. en 27—30 hebben wij klaarblijkelijk met citaten uit ongenoemde bronnen te doen.

Wanneer hier het woord bronnen gebruikt wordt, is dat bedoeld in geheel anderen zin dan waarin volgens de gangbare Pentateuch-hypothese J, E, D en P bronnen zijn. Ik vat hier bronnen op in den gewonen bibliografischen zin, niet in den eigenaardigen zin dien het woord in de Pentateuch-kritiek verkregen heeft. De gangbare terminologie kan licht tot begripsverwarring leiden. De Pentateuch-kritiek toch verstaat onder bronnen oorspronkelijk zelfstandige geschriften, die na en naast elkander hebben bestaan en vervolgens door een of meer andere handen (R) tot één geheel zijn verwerkt, b. v. op de manier van 1 atianus Diatessaron. Het verdiende de voorkeur, dat men zich hiervoor hield aan de benaming „Schichten'' of lagen, welke ook wel gebezigd wordt.

De bibliografische bronnen, zooals ik ze hier bedoel, zijn in de eerste plaats als schriftelijke gedacht; hoewel ook monde-

Aan eene nadere bepaling van deze tijdruimte waag ik mij met het oog op de onzekerheid der chronologie niet.

Sluiten