Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Oen. 14: 14: de naam „Dan" — afgedacht toch van de vraag,

of dit Dan identiek is met Lesem (Joz. 19 : 47) of Lais

(Richt. 18:29), kan er van een plaatsnaam Dan zeker geen

sprake zijn vóór de verovering van Kanaan.

Gen. 22: 14: „waarom heden ten dage gezegd wordt: op den

berg des Heeren zal het voorzien worden" — dit is in elk geval

eerst na de vestiging in Kanaan begrijpelijk.

Gen. 36 : 31: „eer een koning regeerde over de kinderen

Israëls."

Ex. 16: 35: „zij aten Man, totdat zij in een bewoond land kwamen", vgl. Joz. 5: 11, 12.

Num. 20: 13 — eene dergelijke opmerking omtrent de wateren van Meriba is eerst een eenigszins langeren tijd na de gebeurtenis zelve verklaarbaar.

Num. 21: 14, 15 — het Boek van de oorlogen des Heeren kan kwalijk anders gedacht dan als in hoofdzaak een verhaal van de verovering des lands Kanaan.

Num. 32:34 v.v. — de hier vermelde stedenbouw kan eerst hebben plaats gehad, nadat de Oost-Jordaan-stammen, getrouw aan hunne belofte, tot de verovering van het West-Jordaanland hadden medegewerkt.

Deut. 1:1, 5; 4:46, eveneens Gen. 50:10, 11, Num. 22:1, 32:32; 35: 14 wordt gebruikt om het Oost-Jordaan-

land aan te duiden; dit wijst er op, dat de schrijver zijn standpunt heeft in het West-Jordaanland. Wel is daartegen opgemerkt, dat toch in Deut. 3: 8 en Num. 32: 19 dezelfde uitdrukking voor Oost-Jordaanland voorkomt in den mond van hen, die hun standpunt ook in Oost-Jordaanland hebben,1) doch ten opzichte van

textui interiectas; vocabula quaedam et formas e sermone antiquato in sermonem recentiorem translatas; mendosas demum lectiones vitio amanuensium adscribendas, de quibus fas sit ad normas artis criticae disquirere et iudicare? —< Affirmative, salvo Ecclesiae iudicio."

Keil, Lehrbuch der historisch-kritischen Einleitung in die kanonischen und apokryphischen Schriften des Alten Testamentesa, bldz. 102.

Sluiten