Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat wel beweerd,') maar deze heeft ons niet voor te schrijven, wat door ons beginsel al of niet wordt geëischt. Onze Gereformeerde theologen hebben ten aanzien van litterair-historische vraagstukken steeds een ruim standpunt ingenomen, en onze Belijdenis bedoelt in art. IV allerminst eene bindende uitspraak te geven aangaande de uitkomsten van een historisch-kritischonderzoek naar het ontstaan en de verzameling van de Bijbelboeken. Wat alleen wel door ons beginsel en door onze Belijdenis wordt geëischt, is, dat wij voor heel de wordingsgeschiedenis der Bijbelboeken aanvaarden de inspiratie des H. Geestes, en heel het resultaat van het litterair-historisch wordingsproces, met inbegrip van alle latere redactiën of glossen, aanvaarden als het onfeilbare Woord van God.2) Daaruit vloeit dan vanzelf voort, dat wij nooit vrede kunnen hebben met een onderzoek naar de litterair-historie van de Bijbelboeken, dat zou voeren tot resultaten, die de materieele juistheid van het Schriftgetuigenis aanranden. Dat wordt echter door de boven gegeven voorstelling van eene post-Mozaïsche redactie op grond van Mozaïsche en andere bronnen allerminst gedaan.3) Wel zouden we dat doen, zoo we den materieel-Mozaïschen oorsprong van de wetten in den Pentateuch prijs gaven, maar deze staat of valt met het litterair auteurschap van Mozes niet.4)

Ten einde het hierboven gezegde te rechtvaardigen, dienen wij echter het getuigenis ook der overige Schriftuur te raad-

!) Theol. Tijdschrift 1912, bldz. 559.

2) Vgl. A. Kuyper Sr., Encyclopaedie der Heilige Godgeleerdheid-, III, 51.

3) Men leze wal dienaangaande gezegd wordt door A. Kuyper Sr., Encyclopaedie2, III, 51 v.

4) Waarom dan ook Hoedemaker zich in zijjne apologie tegen de kritiek bepaalde tot het bewijs, dat de wetten, voorkomende in de boeken Exodus, Leviticus en Numeri, Mozaïsch zij'n: De Mozaïsche Oorsprong van de Wetten in die Boeken Exodus, Leviticus erj Numeri, Leiden 1895, vgl. vooral bldz. 379 v.v.

Sluiten