Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lieden en naar aanleiding van bizondere omstandigheden gegeven, b. v. Lev. 24: 15 v.v.; Num. 9: 10 v.v.; 15: 35; 27: 7 v.v. en 36: 1 v.v., waarvan de laatste nadere aanvulling is van de voorgaande. Als eene afzonderlijke wet teekent zich duidelijk af Num. 30, door het onderschrift vs. 16. Eene bizondere kwestie is in dit verband, of Deuteronomium niet geruimen tijd op zichzelf heeft bestaan en eerst veel later met de overige boeken van den Pentateuch verbonden is. Dit hangt weder samen met de vraag, wat we hebben te houden voor het wetboek, dat in het 18e jaar van Josia door den hoogepriester Hilkia teruggevonden (niet: eerst toen vervaardigd of gepubliceerd) werd.') Er zijn in elk geval gewichtige gronden, die er voor pleiten, dat dit wetboek slechts een gedeelte van den Pentateuch was, waaronder wel de voornaamste moet gerekend worden, dat het gevonden geschrift op één dag ten minste tweemaal geheel doorgelezen werd, terwijl Kittel heeft uitgerekend, dat het lezen van den geheelen Pentateuch, bij het in acht nemen van een matig tempo, 23% uur in beslag zou nemen.2) Er behoeft ook geen principieel bezwaar tegen te zijn om hier aan Deuteronomium te denken; dit kan zeer goed geruimen tijd als een op zichzelf staand geheel hebben bestaan, en eerst na de hervorming van Josia met de overige boeken verbonden zijn; Deut. 1: 3 maakt den indruk van het eigenlijke begin te wezen, terwijl de eerste twee verzen dan zouden gediend hebben om de verbinding tot stand te brengen. Evenwel ook eene andere verklaring is mogelijk. Ik heb er op gewezen, dat er naast den Pentateuch toch zeker ook wel afschriften van de speciaal legale gedeelten ten dienste van priesters en vorsten zullen hebben bestaan. Het

') Vgl. Hoedemaker, De Mozaïsche Oorsprong, enz., bldz. 180 v.v., Kittel, Gesch. des Volkes Israël I, 258 x\., A. F.Puukko, Das' Deuteronomium, Leipzig 1910, bldz. 30 v.v.

2) Ciesch. des Volkes Israël I, 258.

Sluiten