Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lang de Joden en de buitenlandsche geldwisselaars, de Lombarden en Kawertschen, in den geldnood konden voorzien, bestond tusschen theorie en practijk nog geen schrille tegenspraak; maar toen uit deze bronnen niet langer genoeg toevloeide, moest naar andere hulp worden omgezien. De practische behoeften van staat en kerk botsten met het starre rentedogma en hierdoor werden allerhande organisatievormen geschapen, die practisch het renteverbod uitholden.

Hoe gewichtig ook de verkeerseischen waren, toch moet niet in deze het hoofdmoment worden gezien, dat bevrijding van den knellenden band bewerkte. Niet mag worden toegegeven aan de valsche gedachte, alsof in geding is de vraag, of kerk en staat, wanneer zich op zeker tijdstip daaraan de behoefte openbaarde, vrijwillig hebben mogelijk gemaakt, dat het geld op de eene of andere wijze productief kon worden belegd. Dat juist was het onwaarachtige in de positie, dat bij te scherpe veroordeeling van de rente overeenkomsten werden gesanctionneer:!, die, zoo al niet formeel, dan toch materieel, lijnrecht tegen het renteverbod indruischten.

Het verlossende woord werd gesproken door C a 1 v ij n, die met zijn ruiterlijk opkomen voor volle bevrediging van het naar rente zoekend kapitaal waarheid en gerechtigheid wederom als onmisbare factoren voor het maatschappelijk leven in eere herstelde.

Moest het opkomen voor het goed recht der rente den opbloei van het voortbrengingsleven bevorderen, niet minder krachtige prikkel tot economische werkzaamheid ging uit van de hooge opvatting omtrent het maatschappelijk beroep, door het Calvinisme verbreid. Bij L u t h e r komt de beroeps-idee nog niet tot volle ontwikkeling; voor hem is het beroep iets, dat de mensch, als middel om in zijn levensonderhoud te voorzien, als goddelijke beschikking moet aanvaarden. Voor C a 1 v ij n evenwel is het een instrument om in de wereld tot verheerlijking

Sluiten