Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hadden wij gehoopt, dat na de verschijning van Dr. A. H. de Hartog's „Mijn overtuiging nogmaals bevestigd"1) men zich althans van onze, Gereformeerde, zijde wachten zou een al te weinig overdacht oordeel omtrent diens leven en leer neer te schrijven, verwacht hebben wij het niet.

Te meerder te waardeeren naarmate men iemand boven zich weet, schijnt slechts weinigen gegeven.

Dat verschillende Kerkboden-redacties zich dan ook bleven beijveren om in velerlei toonaard telkens weer — vooral de jongeren — voor het „gevaar" te waarschuwen, 't was ons overduidelijk. De niet-opneming van daartegen ingezonden weerleggingen deed die waarschuwingen op de juiste waarde schatten.

Een aanval echter als in vorige Opbouw-afleveringen door Dr. Ubbink werd ondernomen, hadden wij niet meer verwacht. Wij hebben dat onmogelijk, wijl onredelijk geacht.

Al gevoelden ook wij, dat velerlei vragen, ook na het verschijnen van „Mijn overtuiging nogmaals bevestigd" op beantwoording wachtten, dit toch stond voor ons vast, men zal niet spoedig weder aankomen met: „de Hartog verdampt de feiten, bouwt meer op Hegel dan op Christus, leert een proces in God", enz. enz.

Toch is het thans door Dr. }. G. Ubbink geschied.

En al zou men nu eenerzijds geneigd zijn eene dergelijke critiek naast zich neer te leggen, om de enkele reden, dat zij al te zeer van een verkeerden kijk blijk geeft, anderzijds dringt de omstandigheid, dat de groote massa nu eenmaal slechts leest wat „anderen" van deze of die zeggen, tot een verweer.

Begrijpelijk is het ons, dat Dr. de Hartog zelf daartoe weinig lust gevoelt, 't Altijd weer eigen verdediger moeten

') Uitgave: A. H. Kruijt, A'dam. f 0.40. Zie „Nieuwe Banen", Jaarg. 1909, pag. 243.

Sluiten