Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

sterven, moest hij voortschrijden tot het niet-meerkunnen vallen, noch sterven; en in verband daarmede moest hij ook de schatten en gaven, die God in hem en in heel Zijn schepping in beginsel had ingelegd, nog verder ontwikkelen, en als „vervolmaken". De mensch moest een geschiedenis doormaken, waarin hij tot al hooger standpunt geraakte; bergopwaarts was de weg; op den top lag de stad van het Eeuwige Leven; dien berg der historische ontwikkeling en procesmatige ontplooiïng moest hij op, langs't hellingpad der gehoorzaamheid, aan de wet der hoogste liefde.

Toen nu de mensch in en door het feit der zonde dezen weg niet verkoos, en hij het Paradijs verloor, toen is (en ziedaar het tweede punt, waarop de aandacht dient gevestigd) wat ook veranderde, evenwel de procesmatige onplooiïng, ontwikkeling en betrekkelijke vooruitgang in de menschelijke geschiedenis niet stop gezet. In gezonden zin verstaan, is (bleef) er een evolutie. De mensch, ook de gevallen mensch, schrijdt voort op de banen van wetenschap en kunst; van verlichting en vooruitgang, van cultuur. Hij wil in dat alles nóg pogen op te klimmen tot de stad van het „eeuwige leven"; zij het ook naar de bedorven voorstelling, die hij zichzelf van die stad heeft gemaakt.

Alleen maar, — en dat hangt saam met zijn bedorven en verduisterde levensbeschouwing, — niet in den weg der gehoorzaamheid aan de hoogste wet, die der liefde; maar in dien van zelfvergoding en geweld.

Terwijl God had geordineerd: de ommegangen van den berg op, langs rechts; daar verkiest de zondemensch het pad langs links. Zoodat telkens, als zulk een ommegang opwaarts is volbracht, om tot een hooger „vlak" te geraken, God en mensch elkaar in botsing ontmoeten; om zoo te zeggen een God-enwereld-conflict.

Telkens als dit geschiedt, dondert het in de groote wereldworsteling, de volken stooten op elkaar, het beeft in het ingewand der aarde, de hemelen maken gedruisch; dan zijn er stemmen en donderslagen en bliksemen omhoog en omlaag. Tot hooger niveau wil men geraken; een levensdrang, herkomstig uit het paradijs-bedoelen, laat zich gelden, evolutie; maar, als in on- en antigoddelijken weg (langs links), gepaard met smarten en weeën. — In barensnood!

Het tijdsverloop nu van zulk een ommegang om

Sluiten