Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gewichtige reden vermaant dienaangaande de Heere in Openb. 3 vs. 2 „en versterk het overige dat sterven zouMen betoont Gods kerk het meest lief te hebben, als men de breuk niet in bescherming neemt, ook niet haar verbloemt, maar haar met oprechten waarheidszin aantoont, om op te roepen tot een wederkeeren tot den Heere.

O, de Heere doe ons dan genade vinden in zijne oogen om daar (onverschillig in welke kerk ook) waar we het volk niet op zijn plaats zien, ja waar we mogelijk zelf wel ver van den Heere zijn afgeweken, elkaar in 's Heeren naam èn bij zijn oordeelen èn bij zijn roepende lok- en liefdestem nog op te wekken tot boete en bekeering, opdat de Heere Jeruzalem nóg verkiezen mocht (Zach. 1 : 17). Ja voorts, opdat we niet slechts bedacht zouden zijn op eigen levensbehoud, maar opdat we, in den weg der waarachtige vreeze Gods, en van zijn Geest eens waarlijk doorwoond, zouden kunnen bevonden worden te staan op onze plaats; en zouden kunnen roepen voor de eer en de heerlijkheid van den God der gansche aarde; en we nu, juist nu, in deze dagen, waarin dat zoo hoogheerlijk diende uit te komen, zouden uittreden, het nieuwe vlak in de wereldgeschiedenis tegemoet, als dat volk hetwelk op den dag van Gods heirkrachten zou uitkomen, als ,,een zeer gewillig volk, in heilig sieraad". (Ps. 110 : 3).

Evenwel, de vraag kan rijzen, of het nog wel de moeite waard is, om op onze plaats te staan, terwijl toch volken en natiën officieel afvallen en in God-vervreemding wegzinken.

Drieërlei is hierop het antwoord.

Vooreerst, des christens denken en leven behoort beheerscht te worden door den eisch des Heeren; niet de vraag naar de bate, maar het vragen naar Gods gebod zij altijd de inzet. Wat God van ons eischt, dat zij ons levensrichtsnoer. De uitkomst kunnen we dan aan God in vol geloofsvertrouwen overlaten. Zoo hebben we dan ,,ziende in het gebod" dat diepe en hooge leven van zelfovergave, van absolute Godverheerlijking te leven, waarbij alle eigenbelang, voor zoover het tegen God overstaat, worde gebroken en verloochend; in gezonden zin worde hier verstaan en beoefend, wat Tauler eenmaal zeide: „geen zaliger sterven, dan levend begraven te worden in God."

Ten tweede: te midden van den afval moet, — al

Sluiten