Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zoo gaat het in 't groot.

Maar het gaat ook in 't klein zoo.

De handelsman staat voor zijn fabrieken en pakhuizen zonder aan Qods zegen te denken; hij toont u met een armzwaai van zelfbehagen het Babel, dat hij door de macht zijner sterkte gebouwd heeft. De reeder pocht op zijn schepen, de winkelier op zijn bloeiende zaken, de kunstenaar op zijn doek dat bekroond werd, en de schrijver op de boeken, die op zijn plank staan, — ieder heeft zoo zijn kleine Babel, waarop hij zich verhoovaardigt.

Maar weet gij wat het aller-bedroevendste is ? 't Is dat de geest van zelfverheerlijking soms tot in het koninkrijk Gods doordringt. Het wordt dan een roemen op wat men enkel door Gods genade heeft kunnen doen, alsof men het zelf tot stand gebracht had. Dit is wel zeer verfoeilijk, als een gemeente zich zelfvoldaan in de handen wrijft over een zendingspost, die zij door haar gaven in stand houdt; of als een dominee in zijn ziel roem draagt over zijn mooie predikaties en volle kerken, en met zelfingenomenheid op zijn prachtige bouwwerken neerziet, fluisterend: „Dit is het Babel, dat ik gemaakt heb!"

Bah 1 wat een Nebukadnezar!

Alles eigen werk.

God heeft er geen deel aan. Eigen arbeid, eigen vernuft, eigen toewijding, eigen sterkte, en dan ook alles tot eigen eer en heerlijkheid. Mensch, mensch, mensch, wat steekt gij u in de hoogte! Vroeger was het: God alles, en de mensch niets. Maar nu is 't: de mensch alles, en God niemendal.

Ziedaar ons geslacht van hoog tot laag. De naam Gods is uitgevlakt, en zijn Woord is verworpen. Maar nog komt tot dien opgeblazen konings-mensch de roepstem Gods: „Daarom, o koning, laat mijn raad u behagen, en breek uwe zonden af door gerechtigheid, of er verlenging van uwen vrede mocht wezen 1"

Sluiten