Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ze zijn:

de erkenning van de werkelijkheid eener geestelijke en zedelijke Wereldorde, door welke de wereld steeds zich voortbeweegt, voortgestuwd wordt, tot telkens hooger, reiner toestand van volmaking;

de erkenning van de hooge waarde van de menschelijke persoonlijkheid, die krachtens haren aanleg bestemd is de evolutie der menschheid mee te doorleven;

de erkenning van de broederschap aller menschen, gelijk in wezen, gelijk in aanleg en roeping, samen verbonden door gelijke bestemming.

5. Religie aló eeré te grondslag der vrijmetselarij. — De eerste van die grondslagen beteekent in het wezen der zaak dit, dat voor het zijn van vrijmetselaar het zijn van religieus mensch een essentieel vereischte is.

Een enkel woord intusschen ter nadere verklaring, omdat over het wezen van godsdienst, dat is van religie, telkens weder zooveel misverstand aan den dag komt.

Wordt religie verward met kerkgeloof of ook maar met het aanvaarden van eenig bepaald geloofsbegrip, dan zou menig vrijmetselaar moeten geacht worden geen godsdienst te bezitten, want velen zijn er onder hen, die met eenig, door anderen geformuleerd geloofsartikel, welk ook, geen vrede kunnen hebben1).

Wordt echter het karakter der religie begrepen in den zin waarmede alle geloovigen, van welken naam ook, zich moeten kunnen vereenigen, dan is de vrijmetselaar religieus bij uitnemendheid.

D eze gedachte vond reeds, in de taal van dien tijd, uitdrukking in de „oude plichten" (Ancient charges), zooals

') Zie A. S. Carpentier Alting. „De Godsdienst der ïoekomst" blz. 221. „Men spreke niet van geloof waar men geloofsbelijdenis bedoelt; niet van godsdienst waar men kerkleer op het oog heeft; niet van godgeleerdheid waar men van godsdienstige levensbeschouwing wil spreken' .

Sluiten