Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vrijmetselaar, die de hooge waarde van den mensch in het algemeen, en van eiken mensch in het bijzonder, erkent en die tevens zich gedragen voelt door de idee van broederschap onder de menschen, is de ware beteekenis duidelijk geworden der echte verdraagzaamheid. De vrijmetselaar is verdraagzaam, niet in dien zin dat hij zich onverschillig zou gedragen ten aanzien der gevoelens van andersdenkenden. Hij kan daarvoor niet onverschillig zijn omdat hij, de waarde ook zijner eigen persoonlijkheid, de beteekenis ook van eigen denken erkennend, zeker er niet in berusten kan, wat hij voor zich als waarheid heeft ervaren, als onwaar gebrandmerkt te zien. Integendeel weet hij dat het hem is opgelegd voor de algemeene erkenning der waarheid en tegen hetgeen haar wederstaat te strijden. Maar hij zal nooit veroordeelend staan tegenover de personen van andersdenkenden, om hunne, van de zijne afwijkende, inzichten ; hij zal erkennen dat ook de andere op eerlijken weg tot eigen eerlijke overtuiging kan zijn gekomen; hij zal ernstig onderzoeken of wellicht de andere meer de waarheid is genaderd dan hij; het „onderzoekt alle dingen maar behoudt het goede" is hem tot levensleus geworden. „De waarheid te bezitten, hij denkt er niet aan, zelfs geen oogenblik; hij weet dat wij van de waarheid slechts die eene zijde zien die naar ons is gekeerd. Daarom heeft hij den moed ook de donkere diepten van den twijfel niet te schuwen; hij durft daarin afdalen, wetende dat twijfel de eerste levensvoorwaarde is van eiken vooruitgang x).

Dit maakt vanzelf dat hij waardeerend staat tegenover andere zoekenden en dat hij ook, zoo eenigszins mogelijk, er naar streeft den weg te vinden waarlangs allen kunnen gaan. De Orde van Vrijmetselaren „kweekt verdraagzaamheid, betracht rechtvaardigheid, bevordert naastenliefde, zoekt op

') A. S. Carpentier Alting, „Overdenkingen op Masonniek gebied". Uitgave G. C. T. van Dorp en Co., 's-Gravenhage, 1907.

Sluiten