Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aardigheden van het numineuze: het aantrekkende en het afstootende; het aanbiddelijke en het geduchte, geschuwde, het adorandum en het tremendum : kortom, het is sacrum.

In één woord : itQÓq yc'cfio$ als huwelijk van den — ouden of jongen — Hemel-god met de — oude of jonge — Moeder-aarde is voor het oude menschenleven, — evenals verder weg voor dat van dier en plant — niet: één geheimenis, één symbool uit vele, één troost onder meerdere, één weg ten hemel naast vele andere, neen, men kan al deze omschrijvingen laten gelden, mits men het woord één als „eenig en centraal" opvat. Wat wij thans langs anderen weg weten van de ó(tu>fitva der verschillende mysteriën, komt steeds weer daarop neer, dat de inwijding bestond in het aanschouwen van dezen itQÓq ya/uo^, in het opnieuw beleven van dit oerverbond van hemel en aarde en het zich daardoor opgenomen en geborgen voelen in de eeuwige wereldorde, in den xóöfio$.

In zijn meest philosophische stuk, de Büxxki, leent Euripides zooals zoo vaak aan dit oeroude volksbesef een philosophischen mantel, wanneer hij het Heilig huwelijk met een wijsgeerige elementenleer verbindt (v. 272):

Ovroq <$' o daiftatv ó vtoq (bedoeld is Dionysus),

ovx av óvvtcifiijv f/éyt&oq è§eixtiv <><toq

xnO-' 'EXi-tió' 'éarca. óvo ydg, w vtuvicc (Pentheus, „de Lijder")

T« JtQüjz' tv ClvfbQÓiJlOlOl ' '

yïj ó' toriv, övofia ó' bnórsyov fiovXn xa 'j.tt'

«i5r// fiiv tv fyiQOlöiv txTQttpti pQorovq '

ö$ iiXxt-tv tjtl zccvTimiXov o yóvo$ („Zoon der

Aarde" = „Dionysus" „Zoon van den Hemel[god]") {fÓTQVoq vygöv Ttcófi' rjvQt xtiorjvtyxtcTO &VtjTOi$ . ..

ovtoq 'iv>txoiö< ontróeren f)t<tq yeyojq (v. 284).

Deze verbinding van hemel en aarde, dit fiiyï/vcii van den Hemelgod en de Aardgodin, dezen ie^oq y(Cfio$ zal dus de

Sluiten