Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kringen is het welbekend, hoe Courby in 1916 inderdaad den ouden „navelsteen", een van de centrale hoogheilige plekken te Delphi heeft teruggevonden. De oude zevende eeuwsche inscriptie geeft, zoo zagen we, vermoedelijk, indien mijn verklaring juist is, het hieroglyph van den vader: de drie zuilen door het gewelf van den Hemel verbonden als een naar rechts voorovergevallen hoofdletter E, dus [Tl. en schuin daaronder den moedernaam rA (z. b. p. 24).

Heeft nu echter de „moeder", de Terra Mater, geen eigen plek?

Bij het thans volgende, dat door zijn hypothetischen aard en voor velen fantastischen inhoud misschien aanvankelijk zal bevreemden, moge ik allereerst op een mij sterk treffende coïncidentie wijzen. Het betreft hier inderdaad het „antiquam exquirite Matrem", waarvan reeds de Aeneis ') gewaagt.

Ik had, door de lijn van godsdiensthistorische en taalkundige feiten te volgen, reeds lang met de mogelijkheid rekening gehouden, dat wij ergens de plaats der Aardmoeder zouden vinden in de zeer speciale aanduiding van het levengevend gedeelte: de firfrga, vulva of matrix. Indien dit mogelijk zou zijn op de plek, waar we den dienst van den ouden en den jongen Hemelgod, van Zeus en Dionysos aantroffen, aan den voet van den Parnassus, waar we ook van hemel en aarde, (van god en mensch) het jonge schepsel vonden in den öfi<faJ.Ó£, zou dat inderdaad een treffende bevestiging zijn. De Grieksche reis dit jaar ondernomen gaf mij niet alleen de overtuiging, dat Delphi dit punt is, en dat Jékyoi, evenals 'AiH/vai voor 'A&tjvri, niets anders beteekent dan de plaats waar naast den 'Oft(picXó$ „de navel van het kind der Aardmoeder"2) ook

') Aen. III, 96.

2) Men vergelijke tal van overbekende woorden: vooreerst a-dtXtpós .broeder" als „co-uterinus", „big", dt/fpïs „dolfijn' en vele

andere, die men in de etymol. woordenboeken, doch zonder óiXipoi, verzameld vindt.

Sluiten