Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gr.ftaivut „ik ga, kom", lat. venio „ik kom", got. qiman „komen", ndl. komen: Hesychius é,9aihj' èyevvtj&rj, lit. gimti „geboren worden", lett. dzinit „geboren worden" '). Terecht herinnert Frankel er aan5), dat juist bij zoo centrale begrippen vaak de richting bepalende praeposities in de taal niet worden toegevoegd, zoodat men hier grammaticaal uitgedrukt, een simplex met de waarde van een compositum kan erkennen, bijv. lit. Dievas léidè sviétq. „God schiep de wereld" (eig. zond [nl. omlaag] •—• ugnis bnwa . . nu-leista (omlaaggezonden) ant ziamys „het vuur was omlaaggezonden (= geschapen) op de aarde".

4. Het laatste vraagstuk, dat nog wacht, ligt in den naam en de beteekenis van Eleusis en haar mysteriën (benevens Elüsion).

In het bovenstaande hebben wij als onze meening gegeven, dat het „komen" van den Hemelgod voor individu en gemeenschap, zich openbaarde in het begrip van „geboorte" = „komen in dit leven" doch ook in het begrip van „geboorte" = „komen in het andere leven", d.w.z. sterven, afsterven, ontsterven aan dit leven, üok hier vinden we nu opnieuw, wat we boven construeerden: dat „nl. hetgeen in alleroudsten tijd geschonken werd aan ieder menschenkind, in later tijd althans waar het in hoogere mate plaats greep als een godengave werd beschouwd, geschonken aan hen, die — hetzij door verwantschap van het bloed of door aanhuwelijking, hetzij door verwantschap van daden, bovenmenschelijke, goddelijke daden, als outrfjQfq dus — zich van de gewone menschenkinderen hadden onderscheiden. Het laatste is de — voor ons gevoel toch nog naïeve — voorstelling die Homerus vertolkt, als hij (tf 562 sqq.) aan Menelaiis door Proteus laat voorspellen, hoe Menelaus aan het gewone stervenslot onttrokken zal worden,

') Zie Endzelin, K.Z. 44, 71, Frankel, InJog. Forsch. 49, 235. J) I.F. 47, 340; 49, 235.

Sluiten