Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

«A/Ui o' ég 'llkvotov ittóiov xal xeiyara yaitjq a&avaxoi xéfitpovotv, waar Rhadamanthus heerscht, ovvtx' £/£<£ 'Ektvtiv xai o<piv (den Goden)

yafitiQÖg Jióg toot."

„Schoonzoon van Zeus"! gehuwd met Zeus' dochter, Jiöe xoQtj, zuster der Dioskouroi, Helena ! Ook hier heeft Vergilius strekking en draagkracht van dergelijke oude geloofsvoorstellingen ten volle beseft, waar hij (einde Buc. IV) van den owr/jQ, die komen zal, opnieuw getuigt, dat hij aan de tafel van den Hemelgod zal aanzitten en de schoonzoon van den God zal worden :

qui non risere parenti, nee deus hunc mensa, dea nee dignata cubili est, hier algemeener vorm gevend aan dat, wat in het Homerische epos (A 602) van een bepaalden otuTt'/Q, van Herakles wordt uitgeroepen:

fier' a'Htvaroioi 9-eolOiv TtQjtttici èv 'Hclir/tq xa\ ï~/t! xakkiatfivQOv "Hfirjv ').

Naast 'Hlvoiov staan andere vormen : èit-rilvoi^ is de „komst, bezoeking" door den Hemelgod in de gedaante van onweer, bliksem (vaak gepaard met hagelslag en stortregen). Vürtheim 2) heeft weliswaar het beginpunt van deze en dgl. voorstellingen : „de komst" van den Hemelgod niet begrepen, waarvan stortregen en hagelslag slechts „Begleiterscheinung" zijn, maar zijn verzameling van plaatsen is hier van waarde : tTtrjXvoirj Hymn. Merc. 37 ; Suidas 'HXvotov * oi <fè zo xexeQavvatfiévov yvioioy i] neóiov ' xa ói zoiavxtt toriv f({taza .

') Op dezelfde wijze laat Pindarus (Nem. VII 1—5) Eileithuia den menschen aykuöyvtov "Hf ar schenken.

2) Rhadamatithys, Ilithyia, Elysion (Med. Kon. Ak. 59, 1925). Wat in deze bijdrage over I ithyia wordt gegeven als hypothese („die vor Sonnenlichte Glanzende") is zeker een dwaalweg (zoo oordeelt daarover thans ook Nilsson, Minoan-Mycen. Religior, p. 543, 4).

Sluiten