Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Oosten maar uit Creta') af. Zijn kritiek op den naam Eleusis (p. 294) is echter uiterst zwak; wie, als Persson, in ernst gelooft aan de wetenschappelijke draagkracht van 'E^evaït; : êJ.ev&„komen", „weil Demeter, als sie ihre verschwundene Tochter suchte, dorthin kam", en daarnaast aan de mogelijkheid denkt, dat 'Eltvoic, van ai.éot „ik maal" zou zijn afgeleid (?) verliest eigenlijk het recht van spreken in dergelijke zaken. Zeer waarschijnlijk schijnt mij intusschen na zijn betoog wel, dat in den vorm van het Telesterion evenals in de gedaante der schotels der zgn. xtQVOi2), die ook in Eleusis en in het Eleusinion ten Zuiden van de Akropolis te Athene zijn aangetroffen, een onmiskenbare verwantschap tusschen Creta en het vasteland van Griekenland mag worden geconstateerd. Zooals Persson het materiaal geeft, is zijn conclusie, dat het N., niet het Z., de ontleenende partij was, niet bewezen.

Hier komt nu het groote werk van M. P. Nilsson, The Minoan-Mycenaean Religion and its Survival in Greek Religion (1927) met een zeer groot geleerd materiaal de afhankelijkheid van Griekenland tegenover Creta betoogen. Ook Nilsson echter overtuigt mij niet. Vooreerst begaat hij opnieuw de fout van zoovelen, die klakkeloos den naam en het door den naam aangeduide als identisch beschouwen: het ware toch volkomen goed denkbaar, dat een Grieksche, ouder Indogermaansche woordfamilie 'leudh - „tot de menschen komen»

') Opmerkelijk is intusschen, dat de boven reeds als getuige gehoorde Hymn. in Apoll. Pyth. (v. 396) bij de invoering van den Apollodienst in Delphi aan /{(fijns ««ö KvtoOov Mivwiov een gewichtige rol toekent.

2) Ik vermoed zonder op dit oogenblik daar nader op in te gaan, dat hier de verklaring in concreto voor het grijpen ligt van de lanx satura (z. b. p. 5), zooals die in Italië voortleeft. Zie mijn artikel over de Satura in Philologus 78 (1923) 230—280. Waarschijnlijk is ■xiqvos dan niet verwant met yjQa-fioq, doch met W. ker-„creare", zie v.ovQoq, Ceres, creare. Voor verdere gegevens betreffende deze xiqvuc zie A.W. Persson, Arch. Rel.-Wiss. 21, 295, Nilsson, Minoan Mycen. Religion, p. 387, 389.

Sluiten