Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het slot van ons teksthoofdstuk door. Ook dit is, gelijk de meeste zijner Godspraken, eene boetrede, waarbij aan het volk deszelfs onverantwoordelijk gedrag wordt voor oogen gehouden. Die verwijtingen van 's volks dwaas en zedeloos gedrag worden in ons teksthoofdstuk van het 4e— 12e vers voortgezet en in het 13e vers gevolgd door de bedreiging van eene algemeene verwoesting. Van daar af verheft zich de toon der rede nog meer tot het dichterlijke. In het Ue en 15® worden de landbouwers ingevoerd, als sprekende over hun belang in dien tijd en het hopelooze hunner uitzigten. De aankomst van het Chaldeeuwsche leger, even onwederstaanbaar als verschrikkelijk, wordt afgeschilderd in het 16° en 17e vers. Het slot van het hoofdstuk bevat eene alleenspraak van den Profeet, die op roerende wijs doet hooren, hoe hij over de jammeren zijns volks is bewogen

en aangedaan.

h Ik ben gebroken." zoo luidde het in het 21e en 22e vers, „ diep gewond is mijn hart, van wege de breuk, van wege de wonde der dochter mijns volks! ik ga in het zwart, in rouwgewaad, ontzetting heeft mij aangegrepen... Is er geen balsem in GileadP" Deze was om hare voortreffelijkheid en heilkracht beroemd. Is er, dit bedoelt de vraag, geen middel, hoe uitnemend ook, in staat om herstelling aan te brengen? //is er geen heelmeester?" u ach! waarom is de gezondheid der dochter mijns volks niet gerezen ?

De vraag gaat uit van de gegronde veronderstelling, dat alles is aangewend, om jüda's volk uit zijnen diepen val weder op te beuren, maar drukt te gelijk uit, dal het helaas! zonder vrucht is geweest, dat het volk 111 jammerlijk verval is geraakt en bevat de aandoenlijke klagt over den droevigen staat, waarin het is weggezonken.

Sluiten