Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ROM. VIII: 1.

zoo is er dan nu ge enk verdoemenis voor degenen, die

in Christus Jezus zijn , die niet naar het vleesch wandelen,

maar naar den (jEEST.

Het is kennelijk, dat het woord van den Apostel paulus, hetwelk wij hier voor ons hebben, door hem in hooge verrukking en met het innigste gevoel van Godverheerlijkende dankbaarheid is neergeschreven. Het maakt den aanvang uit van een gedeelte van zijnen brief, waarboven wij ten opschrift zouden kunnen plaatsen: „van de heerlijkheid en den troost der geloovigen in Christus jezus." Die aanvang doet zich blijkbaar voor als het besluit en de gevolgtrekking uit eene voorafgegane redenering. Als zoodanig slaat hij niet, gelijk wel schijnt, terug op het slot van het vorige Hoofddeel, want het 25e Vers daarvan bevat slechts een uitroep, geene redenering, waaruit dit besluit en deze gevolgtrekking konden afgeleid worden. Wij moeten opklimmen tot het slot van het Ve Hoofddeel en ons herinneren, dat het Vle en VIIe door den Apostel zijn ingevlochten, om de tegenwerping te beantwoorden, dat het Evangelie der regtvaardiging uit genade door het geloof en niet uit de werken der wet, aan de betrachting der Godzaligheid en het doen van waarlijk goede werken- zou schadelijk zijn en de deur voor het bedrijven der zonde zou openzetten. Na die tegenwerping beantwoord en het tegendeel over-

Sluiten