Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tuigend bewezen te hebben, vat de Apostel den draad der redenering weder op, waar hij die aan het slot van het Ve Hoofddeel had laten liggen. In dat Hoofdstuk had hij het onwaardeerbaar geluk geschetst dergenen, die uit het geloof in Christus voor God geregtvaardigd worden en de zaligheid, door christus aangebragt, had hij tegenovergesteld aan de ellende, die, ten gevolge van adams val, met de zonde was in de wereld gekomen en sints de invoering der Mozaische wet vermeerderd geworden, n opdat (gelijk hij hier, vs. 21, de tegenstelling eindigde), gelijk de zonde geheerscht heeft tot den dood, alzoo ook de genade zou heerschen door regtvaardigheid tot het eeuwige leven, door jeztjs christus onzen Heere," En hieruit leidt nu de Apostel het besluit af, waarmede dit volheerlijke achtste Hoofdstuk wordt aangevangen: Zoo is er dan nu geene verdoemenis, d. i. geene veroordeeling tot verderf en rampzaligheid voor degenen, die in christus jezus zijn, die christus jezus den Heer als hunnen eenigen Middelaar en Zaligmaker hebben aangenomen door het geloof, op Hem alleen al hun vertrouwen vestigen en door dat geloof op het innigst met Hem vereenigd zijn geworden, die (dus worden zij nader gekenmerkt) niet naar het vleesch wandelen, maar naar den Geest; die niet naar de eischen der door de zonde verdorvene natuur, maar naar de inspraken van den Heiligen Geest, den Geest van christus, leven, niet de zondige lusten der verdorvene natuur, maar den drang en de leidingen van den Geest der heiligmaking volgen. Dit bijvoegsel: //die niet naar het vleesch wandelen, maar naar den Geest," wordt wel is waar in vele handschriften gemist en van daar de meening, dat het door eene latere hand uit het 4e vers hier is ingevoegd, omdat de afschrijver geloofde, ten einde misbruik te verhoeden, al dadelijk van de heiligmaking te moeten gewagen, waartoe degenen, die in christus jezus zijn, met nadruk geroepen

Sluiten