Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gingen, bedoelingen, woorden en handelingen, hoevele stemmen verheffen zich reeds tegen ons, om ons te beschuldigen. Vermenigvuldigen we het getal onzer schulden op dien éénen dag met die van zoovele dagen en jaren als wij doorgebragt hebben en plaatsen we aan het hoofd van die vreeselijke zondenlijst die grovere overtredingen en ongeregtigheden, gepleegd in onze jeugd of meer gevorderde jaren, waarvan het aandenken ons met schaamte en zelfverwijt vervuld en moet doen sidderen bij de gedachte aan de diepte des verderfs, waarin wij zonder hooger bewaring zouden zijn weggezonken, zou dan iemand onbeschaamd en verhard genoeg kunnen wezen om te ontkennen, een zondaar, een groot zondaar te zijn en een vreeselijk, zoowel als regtvaardig oordeel verdiend te hebben?

Zoo wij alleen tegen ons zeiven gezondigd hadden en de wet, die wij overtraden onze eigene wet ware, zoo wij alleen door ons geweten ter verantwoording geroepen werden, ook dan reeds hadden wij reden om te sidderen, want ontzaggelijk kan die vierschaar en vreeselijk pijnigend kunnen de gevolgen van haar doemvonnis zijn. Maar wij zondigden tegen God, tegen dien God, die enkel licht is en geene duisternis is in Hem, dien God, die te rein is, om het kwade te kunnen zien, te heilig, om de kwelling te aanschouwen, voor wien de Engelen zich het aangezigt bedekken, wetende dat Hij ook in hen nog feilen merkt. Zijns is de wet, die wij geschonden, zijn wil is het, dien wij verzaakt, zijne majesteit en opperheerschappij, die wij naar de kroon gestoken hebben. Voor het aangezigt van dien God zitten en staan wij hier, bevlekt met onze dwaasheden, dwalingen, struikelingen en ongeregtigheden. En wat schoonklinkende namen wij ook voor ons zeiven en voor elkander uitgedacht hebben, waarmede wij onze zonden trachten te verbloemen, voor Hem, den Onfeilbare en Waarachtige,

Sluiten