Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in zijnen natuurlijken staat, onheilig, van God vervreemd, onder den vloek der Wet, onder Gods heiligen toorn, blootgesteld aan al de gevolgen zijner vloekwaardige overtredingen en, omdat het Evangelie hem verkondigd is, zal zijn gerigt, zal zijne verdoemenis te zwaarder wezen.

Hoe noodig is het dan, dat wij door deze ontroerende herinnering ons tot ernstig zelfonderzoek laten bewegen en haar ons tot waarschuwing laten dienen. Onderzoekt u zeiven, of gij in jezus Christus zijt, beproeft u zeiven. Gij zijt gedoopt, gij hebt belijdenis gedaan, gij komt ter kerk, gij viert het Avondmaal, gij voert welligt eenen voor de wereld onberispelijken wandel; maar gij hebt uit al het verhandelde duidelijk kunnen opmaken, dat er wat meer tot onze zaligheid gevorderd wordt, dat nog geheel anders de kenmerken zijn dergenen, die niet naar het vleesch, maar naar den Geest wandelen. Voorwaar ik vrees, dat deze kenmerken, die zoo volstrekt onmisbaar zijn, bij velen uwer nog gemist zullen worden. Gij zegt: „ik geloof in jezus Christus," maar is het uit den grond uws harten en met waar en wel* overdacht gevoel, dat gij deze belijdenis aflegt? Begrijpt gij wat gij daarmede zegt? Zijt gij dan waarlijk aan u zeiven ontdekt? hebt gij een verlicht inzien gekregen in de heiligheid van God, in de majesteit zijner wet, in het verschrikkelijke en regtvaardige van zijnen toorn? Gevoelt gij in uw hart, dat gij in u zeiven doemwaardig en buiten de innige gemeenschap met Christus verloren zijt? Zijt gij door het vonnis des doods naar Hem uitgedreven? Wierdt gij door den Geest uit het geloof met Hem vereenigd? leeft Hij in uw binnenste? woont Hij in uw hart? Zijt gij waarlijk dat geestelijk beginsel, hetwelk door den H. Geest wordt gewerkt, deelachtig geworden, zoodat gij nieuwe schepselen, geestelijke menschen

Sluiten