Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Welgelukzalig is de mensch, die geduriglijk vreest zoo luidt het eerste lid en het tweede, maar die zijn hart verhardt, zal in het kwade vallen. Tegenover elkander staan het vreezenen het hart verharden, het welgelukzalig zijn en in het kwade vallen. „Bie zijn hart verhardt' wil zeggen: die moedwillig de zonde doet, die, tegen alle waarschuwingen aan, volhardt in het kwaad, ongevoelig en onveranderd blijft onder al de middelen, die tot zijne zedelijke herstelling aangewend worden en alzoo zijn hart steeds indrukkeloozer en goddeloozer maakt. Tegenover zoodanig iemand stelt salomo een mensch die ge u ris vreest; hij bedoelt een opregt Godvruchtigen, die van een heilig ontzag voor den Hoogenen Verhe venen is doordrongen en bezield: die zorgvuldig toeziet en voor niets meer bekommerd is, dan voor liet toe weven aan en het doen van de zonde, zoodat hij door omzigtigheid en teederheid van geweten, zich laat besturen ia al zijne handelingen. Het is dus de vrees der nauwgezetheid, de vrees, niet voor de straf, maar voor het misdrijf en voor de ongehoorzaamheid, die hier wordt bedoe .

Die zijn hart verhardt, zegt salomo, zal m het kwaad vallen, dat is, zich telkens schuldig maken aan nieuwe zonden en door eigen schuld zich storten in ellende en verderf, maar die van deze ™ e

vrees voor de zonde, bestendig is vervuld, is welgelukzalig hij deelt in het waar geluk, hij betreedt de zekeren weg, die er toe leidt e„ het is hem verzekerd in iedere omstandigheid, in leven en m sterven

Zietdaar de spreuk verklaard en tegelij ie vree en raadselachtige er uit weggenomen. Een belangrijk onderwerp biedt zij ons ter behandeling aan daai i ons eene heilzame vrees doet kennen de bestendige vrees om te zondigen leert beschouwen als een bron van waar geluk. Die vrees is

Sluiten