Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maar wie een Christen in de daad en in waarheid is, gevoelt zich bij uitnemendheid beweldadigd, is zich zijner roeping tot een' heiligen wandel en godzaligheid bewust, beschouwt de verloochening daarvan als het afschuwelijkste kwaad, de zonde als het grootste ongeluk en draagt de ernstige begeerte met zich om, op den weg der geregtigheid, die hij te betreden heeft, ter linker- noch ter regterzijde af te wijken.

Hij weet en bedenkt steeds, hoe groot en menigvuldig de gevaren zijn, die hem tot ontrouw pogen te vervoeren. Hij leeft onder de levendige indrukken van derzelver tallooze menigte, grootheid en kracht, gelijk van zijne eigene diepe bedorvenheid, waardoor er zoo weinig noodig is, om hem te doen zwichten voor de verzoekingen. Hij staroogt op dat blijvend gevaar en vergeet het nimmer, dat zijne geestelijke vijanden, zoolang hij in dit leven is, niet ophouden hem aan te vallen en zelfs dan, wanneer zij zijn afgeslagen, tot eenen nieuwen aanval hunne krachten verzamelen. Ach! daar is zooveel, dat verblindt, verleidt, belemmert, zooveel, dat doet vallen in de strikken der zonde. De Christen, de ware godvruchtige is in bestendig gevaar. De duivel, de wereld en zijn eigen vleesch houden niet op hem aan te vechten. Het Koningrijk des Heeren staat lijnregt tegenover dat van den vorst van het rijk der duisternis en viel deze den Heer des Koningrijks aan, toen Hij op aarde was, ook diens ware onderdanen belaagt hij, gaat om als een briesende leeuw, of verandert zich in een Engel des lichts en brandt van begeerte, om hen te ziften gelijk de tarwe.

Daarenboven, de begeerlijkheid der oogen, de grootschheid der wereld en de zorgvuldigheden des levens omringen den Christen; de bedriegelijke redenen van zondige menschen gonzen hem om het hoofd. De wereld is vol afleidingen en het dwaas, het zinnelijk hart is zoo

5

Sluiten