Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

genoemd; hoe noode belijdt zich de zondaar een zondaar. Hoe ligtvaardig zegt men daarhenen: n alle mensehen zijn zondaars" als of het niets ware, als of dit één ware met het zeggen, dat alle mensehen oogen, ooren, een ligchaam en een ziel hebben. Hoevele honderden en duizenden zeggen het na: tt ik ben een zondaar" en worden toornig als men hen van eene of andere bepaalde overtreding beschuldigen en overtuigen wil, of het schandelijke en vloekwaardige van hunne zonde onder het oog wil brengen. Men zegt: „ik ben een zondaar," en dankt God in zijn hart, dat men niet is als andere mensehen. Waar de zonde niet in de grofste misdaden uitbreekt, daar maakt men er eigenlijk niets van, daar zegt men alleen uit zekere welvoegelijkheid, maar zonder gevoel der waarheid: ,fik heb gezondigd." Wij zijn gelijk aan dwaze kinderen, die het niet tellen als een balk van een huis glimt en alleen dan schreeuwen, wanneer het huis in brand staat, gelijk onervarene of roekelooze mensehen, die een klein kankerpuistje niets achten en alleen daar de kanker zien, waar hij niet meer te genezen is. Maar o! M. H., wanneer wij niet alleen op onze daden, maar op dit ons hart zien; wanneer wij dat hart oordeelen, gelijk jezus de Heer het ten genen dage oordeelen zal, hoe gevoelen wij dan onzes ondanks dat ongeloof, die vervreemding van, die vijandschap tegen God, die neiging tot toorn, tot haat, tot wellust, tot alle die ondeugden, waarvan de Heer verklaart, dat de kiemen in ons hart gevonden worden; hoe moeten wij het ontwaar worden, dat de onreinheid ons aangeërfd is, met onze natuur is opgewassen en tot alle de vezelen van ons bestaan is doorgedrongen.

Leert, o! leert uzelven kennen, leert het gezag eerbiedigen van Hem, die u in zijn Woord onreinen, melaatschen door de zonde noemt; vergelijkt uw inwendig bestaan en uw gedrag met den eisch zijner wetten, wordt

Sluiten