Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wezen, met verstand, wil en bewustheid, gelijk de Yader en de Zoon, deze in heerlijkheid volkomen gelijk en één met Hen. Maar hier staan wij aan de grenzen van alle menschelijke bevatting. Het bestaan des H. Geestes behoort tot het innerlijke wezen Gods, de betrekking Gods tot zich zeiven. Het is eene diepe, maar tegelijk kostbare, geopenbaarde verborgenheid. Het komt hier aan op gelooven en liever dan eene enkele, altijd vruchtelooze poging te wagen ter verklaring van zijn ondoorgrondelijk wezen, zijne betrekking tot den Yader en den Zoon, voegt het ons voor die diepten van Godskennis ootmoedig ons neer te buigen.

Maar weten wij niet wie de H. Geest is, wij weten toch wat Hij is of liever welke zijne gaven zijn, waarmede Hij in de Schrift zoo menigwerf wordt vereenzelvigd. Wenschen wij nu voor ons zeiven het antwoord te weten op de vraag, of wij den H. Geest ontvangen hebben? de Heiland zelf heeft door eene treffende vergelijking ons geleerd, waardoor wij de tegenwoordigheid van dien Geest in ons hart bemerken kunnen, namelijk, door de uitwerkselen, die Hij te weeg brengt. Wij kennen den wind niet en evenmin kennen wij zijnen oorsprong, maar wij bemerken zijne tegenwoordigheid aan de beweging der bladeren en het geruisch, dat hij doet hooren, en evenzoo is het met den Goddelijken adem, die den geestelijken dampkring in beweging brengt. Wij begrijpen niet op welke wijze de H. Geest in het hart des menschen werkt, maar wij hebben een onfeilbaar middel, waaraan wij zijne tegenwoordigheid in ons bemerken kunnen. Dat middel is eenvoudig, het is bekend, het is nabij. Neen! dat middel bestaat niet daarin, dat Engelen uit den hemel komen, om ons aan te zeggen, dat wij genade bij God gevonden hebben en onze namen in het Boek des levens geschreven staan: niet daarin, dat stemmen uit den hemel over ons klinken, of gezigten en verschijningen of bijzondere verrukkingen desgemoeds

Sluiten