Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ons ten deele vallen; ook niet, zooals sommige meenen, in het bepaald worden bij eene of andere bijbelplaats, waaruit wij zouden mogen opmaken, dat wij door den Heer voor de Zijnen erkend, worden. Buiten allen twijfel, ook de verzekerdheid des geloofs, dat is te zeggen, ook de bewustheid, dat wij zijn onder de geloovigen, bijaldien wij onder dezen kunnen gerangschikt worden, is een werk van den H. Geest; want „de H. Geest," zoo schrijft de Apostel aan de geloovigen, n getuigt met onzen geest, dat wij kinderen Gods zijn." Maar toch, de H. Geest schenkt die bewustheid, die verzekerdheid niet buiten de middelen, maar bij het gebruik der middelen en onder die middelen bekleedt eene eerste, eene voornaamste plaats, dat hetwelk nabij, zeer nabij, onder onze hand is, het Woord van God, hetwelk is het eigen, het onfeilbaar getuigenis des H. Geestes. In dit Woord stelt ons de H. Geest den weg der zaligheid, ja, maar ook de gestalte van den in dien weg wandelenden Christen in een aanschouwelijk beeld voor oogen. Zoo wij dus willen weten, of wij den H. Geest ontvangen hebben, of die Geest bij ons is ingekeerd, om blijvend in ons te wonen, wij hebben slechts met het Woord in de hand te onderzoeken, welke in des menschen hart en leven de uitwerkselen van de tegenwoordigheid des Geestes zijn en ons zeiven te toetsen aan het naar de Schrift ontworpen beeld van den mensch, die door den H. Geest is vernieuwd geworden.

Zoodanig een mensch heeft eene verandering, eene herschepping ondergaan, zoo kennelijk, zoo groot, dat hij gezegd kan worden op nieuw te zijn geboren, uit den dood te zijn levend geworden. Te voren blind voor zijne zonden, vervuld van den waan van eigene geregtigheid, eerst voor de werking der Goddelijke genade onverschillig, later, toen zij meer kracht op hem begon te verkrijgen, haar weerstand biedende door bestrijding en vijandschap, is zij toch ten laatste hem te magtig geworden.

Sluiten