Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ongeloofs heen, hij wordt versterkt in het geloof, hij wordt ten laatste opgevoerd tot eene hoogte, waarop hij den geloofsroem kan aanheffen: „wie zal beschuldiging inbrengen tegen Gods uitverkorenen? God is het, die regtvaardig maakt, Christus is het, die gestorven is, die ook ter regterhand Gods is, die ook voor mij bidt." De liefde Gods is in zijn hart uitgestort door den H. Geest, die hem gegeven is, de kracht der zonde is daardoor in hem verbroken en het is zijn lust en zijne vreugde, zoowel als eene behoefte voor hem geworden, gelijk hij er ook onwederstaanbaar toe gedrongen wordt, om zich te oefenen in de Godzaligheid, en niet alleen naar sommige, maar naar alle Gods geboden in heiligheid en geregtigheid voor Gods aangezigt te wandelen. Hij bereikt daarin op verre na de volmaaktheid niet, hij wordt niet verheven boven de verzoekingen, niet geheel verlost van den invloed en de werking der van nature hem eigene, in hem wonende verdorvenheid. Ach! gedurig valt hij nog in de strikken, die de begeerlijkheid van den ouden mensch hem spant; ofschoon hij meermalen in de zaligste oogenblikken een gevoel heeft gehad, alsof hij nooit meer zou zondigen, moet hij gedurig over nieuwe zonden, over de oude zonden op nieuw bedreven zich ten diepste verootmoedigen; maar toch van het oogenblik af, dat de H. Geest de eerste vonk van geloof en van een nieuw leven in zijn hart heeft doen gloren, is er een strijd in hem begonnen tusschen vleesch en geest, tusschen zonde en heiligheid, tusschen zijn' eigen wil en Gods wil; hij leeft niet meer gelijk hij vroeger leefde en zondigt hij, hij zondigt ondanks zich zeiven, het is hem eene diepe smart en daarbij zijne hoogste bede en het doel, dat hij bejaagt, dat hij geheel en al rein, dat hij in heiligheid en liefde Christus jbzus zijnen Heer moge gelijkvormig worden. De H. Geest heeft hem in eene geheel andere, eene wezenlijk

Sluiten