Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lijden, tot Christus de toevlugt nemen of niet nemen, Hem boven alles liefhebben of niet liefhebben, tegen de zonde strijden of niet strijden en of wij met een uitwendig zedelijk bestaan te vreden zijn, dan of wij geleerd hebben te jagen naar de heiligmaking in de vreeze Gods en begeeren geheel en al vernieuwd te worden? Er is immers een al te groot onderscheid tusschen het een en het ander, dan dat dit niet voor ons zeiven zou kunnen duidelijk en kenbaar worden. Aan moeijelijkheden zeker is dit onderhevig; schijngeloof en schijndeugd kunnen de gedaante van waar geloof en christelijke deugd aannemen, de eigenliefde kan ons bedwelmen, het arglistig hart den mensch zich zeiven doen bedriegen, of de bewustheid des nieuwen levens, zoo het in hem is gewerkt, kan door twijfel, bestrijding of verachtering in de genade verdonkerd worden. Maar toch, deze moeijelijkheden zijn niet van dien aard, dat zij bij ernstige zelfbeproeving en het ontdekkend licht van den H. Geest niet zouden kunnen overwonnen worden, dat wij uit onze gevoelens, neigingen, gedachten, woorden en daden niet zouden kunnen opmerken of de Geest onzes Gods al dan niet in ons woont, of wij al dan niet den H. Geest ontvangen hebben.

Zoo zeer het nu mogelijk is dit te weten, zoo noodzakelijk is het daarvan bewustheid te hebben, op de vraag, in den tekst gedaan, met volkomene zekerheid voor zich zeiven te kunnen antwoorden. Men versta mij wel, M. H.! Mijne meening is niet, dat deze bewustheid een noodzakelijk vereischte tot behoudenis is, zoodat geene anderen, dan zij alleen die met volle verzekerdheid kunnen zeggen: wij weten dat wij uit God zijn, wij weten dat wij den H. Geest ontvangen hebben, de kroone der heerlijkheid beërven zullen. Ongetwijfeld, met nadruk wordt het ons verkondigd: uZoo iemand den Geest van Christus niet heeft, die komt

Sluiten