Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wat anders leeft. Hoe geheel anders te Leiden! Alles wijst u daar naar studie en Akademie heen! De bevolking der straten, als zij bevolkt zijn; de huizen met hunne "cubicula locand.a!"; de groote woningen en gebouwen, alle schier woonhuizen van professoren of Akademische inrichtingen; het eerwaardige Akademiegebouw zelf, hoe leelijk ook en onvoldoende, met zijn aanplakborden niet met makelaars-biljetten, maar met aankondigingen van collége- en examen-uren en van al wat professoren en studenten aangaat, gevuld; met één woord: men leeft er in een Akademische, van wetenschap en studie en studentenleven doorademden sfeer. Het

verschil is zoo groot, dat men het niet ontkennen kan.

Of is dit alles wel waar misschien, maar doet het niets ter zake? Uwe Commissie was van oordeel dat, indien het al onverschillig ware voor volwassenen in de wetenschap, het zeer zeker niet onverschillig is voor jongelieden, bij wie het wetenschappelijk leven gewekt en ontwikkeld, aangemoedigd en bezield moet worden (blz. 79). En dit te ontkennen, staat in mijne oogen gelijk met de bewering, dat tot het opwekken en aankweeken van den echten handelsgeest bij een jong mensch deze even doelmatig kan geplaatst worden bij een schoolmeester op het land, als op een groot handelskantoor in een groote handelstad.

Deze eene hoofdgrond nu van het voorstel der Coiflmissie wordt voor haar nog zeer versterkt door een zeer belangrijken nevengrond. Deze, dat "het eigenaardig gevaar, dat voor den kweekeling van een Seminarium met slechts één hoogleeraar altijd eenigermate bestaat, en in de oogen van den jongeling nog grooter is dan in de werkelijkheid, door <le plaatselijke omstandigheden te Amsterdam veeleer grooter dan kleiner wordt." Wij noemden dat gevaar dit: "dat de leiding der studenten, ook geheel buiten de schuld van den éénen hoogleeraar, eene al te volstrekte en daardoor eenzijdige worde." En waarom is dit o. i. grooter te Amsterdam dan te Leiden? Om de opzettelijke "beperking en belemmering van het onderwijs van andere hoogleeraren door den eigen professor?" (Bijl. B, blz. 103). Wij brachten die beschuldiging niet in, bedoelden haar ook

8*

Sluiten