Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Na drie dagen weder voor den vollen raad verschenen zijnde, werd hij op nieuw met vragen overstelpt. „Bedenk u wel, voegde men hem toe, dat wij u op geen leugens bevinden:" maar hij bleef zich in zijne antwoorden gelijk; alleenlijk herinnerde hij zich, dut hij een brief had gezien van de directeuren der Remonstrantsche societeit, Uytenbogaert, Episcopius en G re vi n k h o ve n, den 15 October des vorigen jaars uit Antwerpen aan al de Kemonstranlsche gemeenten hier te lande geschreven, betrekkelijk eene op te stellen geloofsbelijdenis, welke brief sedert in druk was uitgegeven. Gevraagd zijnde naar den inhoud, gaf hij dien op: maar toen hij op de vordering om dien brief overtegeven, God tol getuige riep, dat hij niet wist waar dezelve was, liet men den secretaris den brief die onder zijne papieren was gevonden, voorlezen. Daarop volgde een gemengd geroep der onstuimige raadsleden. „Meineedige, leugenaar! godslasteraar! 'lis wonder dat God geen teeken aan u doet!" Gualtherus behield zijne kalmte en sprak: „God, die mijn hart kent, zal, vertrouw ik, een ander oordeelaar over mij zijn dan gijlieden, die op niets anders uit schijnt te zijn dan om mij en de mijnen te bederven." Doch hij vond geen gehoor; de heeren riepen en tierden om strijd, stampten met de voelen, en spuwden als om den snode te verfoeijen. „Gij, beet burgemeester Tengnagel hem toe, „gij zijt de eenige oorzaak der factie in deze stad, gij stijft het volk en hilst het tegen de overheid op, gij hebt mijn neef Olto verleid; gij zoekt alles overhoop te werpen."— Deze burgemeester wilde, zoo :t schijnt, door zijn hevig uitvaren . alle vermoedens, als of hij den Remonstranten, voorheen zijne vrienden, nog gunst toedroeg, van zich afschuiven. — De Reclor, wel ziende dal het geen tijd van spreken was, zweeg. Terstond liet men hem door vier dienaars op de hoogste gevangenis

Sluiten