Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Met mijne aanmerkingen op den katechismus heb ik niemand gemoeid, en 't is immers ook niet verboden, zijne bedenkingen over dat boekje tot eigen gebruik aan te teekenen. 11 De aanmerking , dat er ook iets tegen de Dortsche kanons bij heni was gevondtn, beantwoordde hij in denzelfden geest, bewerende, indien hij al dwaalde, dat zulks geen moedwil van hem was, en eer medelijden verdiende dan eene behandeling als men hem deed ondergaan. Deze redenen werden met schimp en spot aangehoord; maar hij, bedaardelijk voortgaande, verzocht in stede van de hem voorgeworpen uittreksels en vertalingen, zijn eigen handschrift te zien, om zijne woorden te kunnen duiden, en zulks in bijzijn van onpartijdige mannen, met het latijn bekend, ten einde zich behoorlijk te kunnen verantwoorden. Dit verzoek, hoe billijk anders, werd herhaaldelijk afgeslagen. De kist met zijne papieren stond in 't vertrek; doch men weigerde zelfs een enkel blad van zijne hand te toonen, uit vrees welligt, dat de onwetendheid en partijdigheid der uittrekkers en overzetters zijner schriften zouden aan den dag komen; kortom, wat de beschuldigde ook ter zijner verschooning bijbragt, het baatte niets; men riep, „gij zijt een leugenaar, een guit, een muiter, een landlooper, een paskwilmaker, dien men ten spiegel van anderen zal straffen. Gij zijt niet waardig dat u de aarde draagt of de zon beschijnt. Gij hebt schelmachtig gehandeld en geschreven. 11 Somwijlen vielen drie of vier beschuldigers te gelijk op hem aan, en als men lang genoeg had uitgebulderd, dan was H: „Welnu, wat zegt ge? Spreek!"— ,,Ik heb hier niet te zeggen;" hernam hij, „ik zie en ondervind ten duidelijkste, dat de heeren niet gestemd zijn om eenige redenen aan te nemen, derhalve kan ik met spreken geen voordeel doen.

Nu kwam men weer met de oude vragen, die hij te vo-

Sluiten