Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Eindelijk kwam men neder op den brief van Schötler, en of hij dien ontvangen had? — „Neen." — Of gelezen? — „Ja." — Hebt gij ze niemand laten lezen? —■ „Niemand." —• Was de brief open of toe? — „Open.11—• Of hij opziener der gemeente was?— „Neen."— Toen gingen de heeren heen.

Op den 17 Maart werd de echtgenoot van Franko op 't raadhuis ontboden. Jammer, dat de geschiedenis ons den naam dezer beraden vrouw niet bewaard heeft. Burgemeester Sloet vergde van haar de bekentenis, dat zij in eene vergadering van Remonstranten was geweest en begeerde te weten, wie daar meer geweest waren. Haar kloekhartig antwoord was: „Ik ben niet gehouden dat te zeggen, ik ben geen verklikster. Daar kunt gij wel soldatenwijven toe krijgen, en even ongaarn als een van u allen —• hier wees zij met den vinger op de heeren in 't rond, — zou willen dat zijne vrouw eene verklikster ware, zou mijn man zulks willen. —• „Wij willen 't van u weten, zeiden de Heeren. „En ik wil 't niet zeggen. Ik hoop niet dat de heeren mij aanzien dat ik iemand zou verklikken." — De Heeren toen weder: „dat is geen verklikken, maar getuigenis der waarheid."— Zij: „Ik versla dat zoo niet."— Toen liet men haar uitgaan; en weêr boven geroepen, vroeg men of zij zich had beraden?— „Ik blijf bij mijn antwoord."— Burgemr. Albertsz riep: „gij hebt zoo menig predikant geherbergd, durft gij dat loochenen?"—Hierop zweeg zij, en toen Sloet haar toevoegde: „gij hebt uw pligt wel betracht, en de vergaderingen niet v erlaten, antwoordde zij met fierheid: „God lof dat ik zoo ijverig in mijn godsdienst ben geweest."— Marten Albertsz daarop: „nicht, antwoordt gij mij niet?"— „Ik kan op alle logens niet antwoorden, hernam ze.— „Maar, vroeg toen Sloet weêr, „zijt gij dan in geen vergadering geweest?"— Zij: „Ik

Sluiten