Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

GOD.

Wij gelooven in God.

Wij vrijzinnigen gelooven in God op onze wijze. Het recht daartoe is ons verleend in de verzekerdheid, dat God zich kennen doet aan wie zich voor Hem in ontvankelijkheid openstellen, en de plicht tot een eigen wijze van gelooven is ons opgelegd in het besef dat wij de ons geboden aanwijzingen naar waarheid hebben te volgen.

In menig opzicht wijkt ons Godsgeloof af van dat, hetwelk het in het Christendom gangbare is en zich als de traditie der eeuwen aanbiedt. Met welk een eerbied men ook moge staan tegenover hetgeen een grootsch verleden overgeeft, en met hoeveel zin voor gemeenschap men ook moge zoeken te behouden hetgeen als waarheidselement stand houdt, het kan toch gebeuren dat een mensch afzonderlijk zoowel als een groep tezamen nieuwe wegen moeten gaan, omdat men andere werkelijkheden ziet.

Sedert reeds eenige eeuwen, maar eerst nog slechts hier en daar tot uiting komende, deden nieuwe inzichten zich gelden, en wat wellicht als van meer beteekenis nog moet worden geacht, er brak een andere gevoeligheid door in het verband, dat de geloovige met God beleefde. Het is niet waar, wat dikwijls beweerd wordt, dat een soort verstandelijkheid, en deze dan nog wel gebrandmerkt als een hoogmoedige, een kettersch ongeloof heeft opgeroepen. Menigeen ging in zijn geloofsgevoeligheid een kentering beleven; hij kon God niet meer aanbidden wanneer Deze was, gelijk hem geleerd werd. In vrij grooten omvang heeft dit ingrijpende veranderingsproces, waarvan de oorsprongen eeuwen teruggaan, plaats gevonden in de vorige eeuw, en daardoor is toen in het Christendom een geloofsstrooming ontstaan, die naar haar beginselen als vrijzinnig is te karakteriseeren, naar haren beschouwingsinhoud modern is geheeten. Men doet het beste te spreken van vrijzinnige richting en moderne theologie, welke in een onverbrekelijk verband met elkander staan, en waarbij het eerste een houding aanwijst, die begeleid en beïnvloed wordt door het tweede: een beschouwing. Een opvallend verschijnsel is geweest een wijziging in het wereld- en levensbeeld, en daarmede gepaard gaande in het Godsbeeld. Opzettelijk gebruiken wij het woord beeld, om er den nadruk op te leggen dat de werkelijkheid nooit anders ons gegeven wordt dan in beelden daarvan. Wat die werkelijkheid in zichzelve is, weten wij niet, maar zij roept bij ons voorstellingen op. Zoo hebben wij voorstellingen van menschen, van levensgebeurtenissen, van het méér dan menschelijke ook. Alle geloovigheid concentreert zich rondom een beeld der werkelijkheid, waarin God, mensch en wereld de hoofdpunten zijn.

Welnu, dat beeld wijzigde zich sterk. Waarschijnlijk is dit voor een belangrijk deel geschied onder den invloed van een vermeerderde, en men mag er aan toevoegen een betere, kennis van hetgeen men in de wereld opmerkte. Altijd begint waarneming met het rondom-liggende en schrijdt van daar voort en verbindt zich met innerlijke ervaringen. Omtrent den samenhang van de natuur-werkelijkheid, de ordening van het lichamelijke en geestelijke leven werd een inzicht verworven, dat niet te vereenigen viel met hetgeen betreffende den ingrijpenden wil Gods en de wonderen was aangenomen, en de menschheidsgeschiedenis

Sluiten