Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

redding. Adam heeft gezondigd; hij heeft als stamvader der menschen den vloek der zonde op allen geladen: hun verdoemenis. Toen is gekomen, na eeuwen, Christus, de tweede Adam, en deze heeft den doem gelicht. Jezus, Gods ééngeboren zoon, door God in Zijn liefde gezonden, heeft zijn leven geofferd en daarmede de straf voldaan voor menschen, die zelf zondig van geboorte, het niet konden doen. Welk een spannende wereldhistorie, van opstand en opstanding, van verdoemenis en verlossing, van menschelijke zonde en goddelijke genade.

Dit grootsche dramatische levensbeeld heeft de vrijzinnige geloovigheid prijsgegeven. Zij moest het doen, het was haar niet meer waar, althans niet in dezen vorm van historie. Wel als een innerlijk levensgebeuren, waarin alle christelijke geloovigheid den mensch als zondig erkent en getuigt van Gods erbarmen.

Het tragische gegeven van onbillijkheid bestaat, en wordt ook erkend; er is ook de Christus-voorstelling van den Heiland der wereld, wiens geest loutert, nieuw leven schept, tot wedergeboorte leidt, maar dit alles ligt in de sfeer van het innerlijke, en het is iets dat altijd voorkomt, en dat niet vastgeklonken is aan de historische overlevering van * een Adam in een paradijs met een boom der kennis van goed en kwaad en een slang, noch zelfs aan de historische overlevering van een uit den hemel neergedaalden zoon Gods, geboren uit een moeder-maagd, na zijn leven op aarde gezeten op een troon in den hemel als tweede Persoon in de Drie-eenheid. Wat menigeen niet begrijpen kan of niet aanvaarden wil, is dat het Christelijk geloof, hetwelk vrijzinnig heet, ernst maakt met de zonde — het niet willen wat God wil; met de verantwoordelijkheid — het zich in zijn zonde schuldig verklaren; met de verheffing tot God — het boetvaardig opgaan van den verloren zoon tot zijn vader. Men heeft de dingen altijd leeren zien in een verband van ontwijfelbare verzekerdheden van groote suggestieve kracht, en men oordeelt dat vrijzinnigen God loochenen en Christus smaden. Naar hun eerlijke overtuiging — men kan in deze gevallen slechts zijn waarachtigheid als pand aanbieden — doen vrijzinnigen dit niet. Het dramatische karakter der historie-beschrijving lieten zij vallen, het tragische moment in alle menschelijke levensontwikkeling hebben zij vastgehouden. Hun is geen lichtvaardig optimisme eigen aangaande den mensch, die zoo goed van nature is, noch een koud rationalisme, dat aan de oppervlakte van wereld en leven toeft en daarom ook geen „diepten Gods" opmerkt. Moge het al eens zijn, dat deze verwijten hier en daar met recht tegen vrijzinnigen zijn ingebracht of in te brengen, hoeveel sterke zijden van waarheidstrouw en eenvoudige geloovigheid en ernstig christelijk leven zouden zij tegen deze als een borstwering kunnen opwerpen. Zeker zal de indruk gevestigd zijn, dat de vrijzinnigen minder gelooven dan de rechtzinnigen, vooral omdat zij de kerkelijke geijkte verlossingsleer niet meer aanhangen, terwijl ook hun beteekenis aan de kerk gehecht een geringere is, maar sedert wanneer heeft de schiin opgehouden te bedriegen?

Wij vrijzinnigen gelooven in God. God is ons ook het mèèr dan menschelijke, zoo goed als godsdienst ons blijft vereering van dat meer dan menschelijke. Deze wereld bestaat niet uit zichzelve, daarom is ook de mensch niet uit zichzelf verklaarbaar. Een der hoofdtrekken van alle godsdienstige geloof is het besef van dat Andere en een gevoel van afstand en ontzag. Dit kenmerkt primitieven en hooger gevormden gods-

Sluiten