Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dienst. Maar in dezen laatsten is ook de vertrouwensvolle overgave en een erkenning van wat men wijsheid en liefde durft te schatten. Daaruit vloeit vereering voort, welke haar hoogtepunt bereikt in aanbidding.

Dit geloof wordt gewékt. Al mocht het zijn, dat er in het godsdienstig gelooven een element van vererving aanwezig is, dit zal toch wel niet den inhoud van geloofsbeschouwing betreffen, maar alleen den aanleg. In vergelijking — de meest treffende, welke gemaakt kan worden — is meermalen gezegd, dat gelijk de plant naar de Zon getrokken wordt, zoo de menschenziel naar God. Hierin gevoelen wij waarheid, deze ook, dat God tot zich trekt.

Niet ieder zal dit voor zich ervaren, het kan zelfs zijn, dat een geheele Tijd het weinig beleeft, maar zou het niet kunnen zijn, dat dan allerlei beletselen, die vooral in den geest eener omgeving liggen, deze aantrekkingskracht doorbreken? Het leven van nu, zoo woelig, op het uiterlijke gezicht, houdt de menschen bevangen in hun materieele behoeften en vluchtige bestaanswijze. Maar dan, onverwachterwijs, breekt toch Gods kracht door, en menschen afzonderlijk en gemeenschappelijk, beleven weer hun opgang.

God is het eerste, dat men in de geloofsaanschouwing noemt. Zijn wezen neemt gestalte aan in deze zichtbare wereld en Zijn wil draagt het Al. God is de scheppende macht; het begrip scheppen wil zeggen: uit zichzelf voortbrengen. Dit is de diepe onvergankelijke zin in de scheppingsmythe aan den aanvang van den bijbel, dat God deze wereld uit Zichzelf voortbracht. Ook de mensch is schepsel, en in diens geest wordt Gods geest gekend. Daarom weet de mensch zich Gode verwant, en kan hij die eenheid beleven, waardoor hij zichzelf verzekerd voelt in zijn bestaan en zich ook de richting van zijn leven bewust wordt.

Hoè dit alles in een mensch opleeft? Temidden zijner levensindrukken. Wie zich in zijn verleden verdiept en zich afvraagt, hoe zich zijn levensovertuigingen hebben gevestigd, kan eenigermate een lijn trekken door een reeks van indrukken. Het leven werkte op hem in; in zijn vreugden en smarten, in zijn beschouwend nadenken, in zijn doorleven van zijn deugden en slechtheden, is hij in dat leven ingeweven geworden en onderging hij gewaarwordingen; door het menschelijke bestaan werd hjj heen en weer geslingerd, waarbij hij soms niet wist waar hij was; toch kwam Hij tenslotte ergens uit, en nu komt het mij voor, dat elk mensch een soort curve door zijn leven kan zien loopen, die uitkomt bij een hoofdindruk. Die hoofdindruk doet hem zeggen: God of niet-God.

Natuurlijk is heel dit gebeuren veel samengesteld er dan zou kunnen worden beschreven; alle beschrijving van leven, mensch en God is nooit meer dan een greep, een aanwijzing, maar waar het op aankomt is of deze gang van zaken als juist moet worden erkend. In het leven werkt God naar onze overtuiging; van menschelijke zijde is alleen mogelijk de verwerking dier werking in onze gevoeligheid en in onze gedachte. Wij menschen worstelen in het leven met God om G*-"^' want geloofsbouw pleegt geen rustig werk van dag aan dag te zijn, maar schokkenderwijs gaan wij voort van daad tot daad, van gedachte tot gedachte, totdat iets in ons levensbesef gaat overheerschen. Als dat eenmaal zich sterk heeft gehecht, zal de grondovertuiging des geloofs zich telkens d°en gelden, en weer boven komen als zij tijdelijk is neergedrukt. Ongetwyreld zal het laatste geschieden; elke mensch weet hoe hij zijn perioden doorleeft van kracht en van matheid. Het is niemand minder dan Luther

Sluiten