Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Soms spreekt een oprechte stem in ons, die ons scherp en onomwonden zegt, hoe onze daden eigenlijk er uit zien. Vrijzinnige protestanten zeggen; pas op dat gij die stem niet veracht. Laat deze stem niet overschreeuwd worden door het gedruisch en rumoer van het zoogenaamde leven. Want dan zou er iets verloren gaan, dat van groote waarde is.

Als we hierop acht geven, zullen we niet toenemen in zelfbewondering. Integendeel, er komt zelfkritiek, ongezouten zelfkritiek. Maar wij achten dat zegenrijk. Als ge werkelijk gelooft, dat goed doen het beste is, dan wordt ge door die kritiek tot loutering gevoerd. Gij zult u dan met „neerleggen bij uw gebreken", zooals het heet. Men zegt wel eens, dat zulke kritiek onvruchtbaar is, doch de ervaring spreekt dit tegen. De moeite, die het meebrengt is gezegend. Ge kunt aan de gevolgen wel zien, of de zelfkritiek en het zelfverwijt diep genoeg zijn gegaan. Als gij gedrongen wordt, om goed te maken wat ge bedorven hebt, als ge verheugd zijt, dat ge nog iets kunt goed maken, dan heeft het verwijt doel getroffen.

Nu zijn wij godsdienstige menschen. Wij hooren als t ware in deze spanningeji van het levensgedrag het woord van God, erkennen dat God ons wat zeggen wil over ons, en dat God ons tot iets anders voeren wil. Want wij staan in het leven als schepselen Gods. Niets is het onze, al hebben wij een betrekkelijke zelfstandigheid en vrije beschikking over wat God in onze handen gesteld heeft. Gods gaven zijn onze rijkdom, en wij weten dat wij er niet mede doen mogen wat wij verkiezen, maar dat wij goed moeten doen met al onze kracht. Zoo nemen wij aan als woorden Gods de leiding van oprechte kritiek, en kennen dan berouw. Open en bloot staan wij voor God, in t licht van de waarheid, met zelfverv/ijt en belijdenis van schuld. Maar dan is dit het groote, diepe wonder, dat wij hierin bemerken geleid te worden naar een beteren weg. Berouw en schuld, ja zij slaan ons ter neer, maar zij openen tegelijk een weg, dien we tevoren niet zagen. Wij mogen opnieuw beginnen wel met een herinnering aan pijnlijk gebeuren, maar niet zonder geloot, dat er vernieuwing mogelijk is. Hoe oprechter en moeilijker, des te weldadiger is het besef, dat wij nu door die moeite op betere wegen gekomen zijn. Ons zedelijk levensgedrag krijgt door onzen godsdienst een innig en persoonlijk karakter. Het is ingeweven in het geheel van ons leven zelt, dat wij van God ontvingen.

Nu komen we nog al eens de zienswijze tegen bij godsdienstige menschen, dat het goed doen afkomstig is niet van het ware geloof, maar van de leerstellingen, die met ons geloof innig verbonden zijn. ben vriend van mij, die iets onbaatzuchtigs gedaan had, werd vermoed orthodox te zijn. Want zoo iemand moest wel een „waar christen zijn. En een waar christen was voor den betrokken man orthodox. " En eveneens hooren we soms, dat het geloof er niet op aan komt. Als je maar goed leeft, dan doet het er niet toe, wat je gelooft. Lr zijn immers vele brave beste menschen, die ongeloovig zijn.

We zouden ons niet zoo heel goed kunnen vereenigen, noch met de eerste, noch met de tweede zienswijze. Deze zaak is niet zoo eenvoudig als het hier werd voorgesteld. Een geloovige heeft zeker ook leers e linden, die hii voor waar houdt, maar de kracht van zijn geloot ligt met

Sluiten