Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een doelstelling, en aan de natuurwetten, dan heeft men te begrijpen dat deze factoren volkomen onvoldoende zijn. Uit het oude verlangen van de menschheid, zich van de aarde los te maken, gecombineerd met de zwaartekrachtsversnelling, kan men zich geen vliegmachine denken.

Thans komt de bewerking en vormgeving der materie in den geest van den uitvinder. In zijn bewustzijn of onderbewustzijn leeft intuïtief de doelstelling, welke worstelt met de natuurwetten buiten hem. Uit de aanpassing van zijn innerlijk aan de buiten hem staande natuurwet wordt na veel strijd de uitvinding geboren. Een scheppingsdaad is volbracht en dé uitvinder beziet zijn geesteskind als tot hem komende uit een andere wereld. Het is nu een zelfstandig object geworden, dat zijn loop door de wereld begint, dat ook macht heeft over de wereld, dat op ons inwerkt, of wij de techniek vergoden of haten. De automobiel is gekomen en verdreef bijna alle paarden uit Parijs en New York. Onze positie tegenover de techniek, als samenleving tegenover verschijnsel, is dezelfde als die van de paarden uit Parijs tegenover de auto. Wij mogen de radio zegenen of vervloeken, dat kan hoogstens voor den individu verschil maken, doch als geheel zal de radio verder gaan en niet meer uitgeschakeld kunnen worden.

Noemt men dit fatalisme? Misschien, maar dan toch van dezelfde soort, als waarmede de mensch God's schepping aanvaardt. Want is de uitvinder eigenlijk wel iets anders dan het instrument, waarmee de Schepper van hemel en aarde dagelijks nieuwe vormen en nieuwe waarden aan het werk Zijner handen toevoert? In dit licht beschouwd is het geen fatalisme om te meenen, dat ook de technische vindingen even zelfstandig tegenover den mensch staan als de ons omringende natuur.

Het is de moeite waard hier op een wezenlijk verschil tusschen techniek en natuurwetenschap te wijzen. Indien een natuurkundige op grond van waarneming aan verschijnselen een natuurwet ontdekt of den bouw der materie uit atomen ontsluiert, dan gebeurt daarmee niets meer of minder dan dat reeds bestaande verschijnselen binnen het bereik van het menschelijk waarnemings- of denkvermogen worden gebracht.

Aan de empirische wereld wordt geen enkele nieuwe verschijningsvorm toegevoerd. Dit is in de techniek geheel anders, want bij elke uitvinding heeft uit de ontmoeting van twee sferen een verrijking van de wereld plaats met vormen, welke tot heden niet bestonden. Het is mij een volkomen raadsel hoe velen de technische wetenschap als een hulpvak, als een uitvloeisel of als een toepassing van de natuurwetenschap kunnen opvatten. Als ik dan ook een atoomphysicus eenigszins geringschattend hoor oordeelen over een meer technisch geörienteerd collega, die voor hem de noodzakelijke instrumenten schept, dan kan ik daar niet anders in beluisteren dan een volkomen misvatting van de techniek. Is het niet juister, ofschoon even eenzijdig, om aan te nemen, dat de natuurwetenschap een noodzakelijke hulpwetenschap is voor de techniek, welke als voortgezette schepping primair gesteld moet worden?

Belangstelling verdient nog de weg langs welke Dessauer komt tot de zelfstandigheid van de techniek en tot de gedachte der voortgezette schepping. Hij ziet hoe elk technisch probleem in den loop der tijden een ideale oplossing langzaam nadert. Hij wijst op de ontwikkeling van de automobiel van rijtuig zonder paarden tot het sieraad van heden, waarin alle doeleinden uitgedrukt zijn. Ook de normalisatie in de tech-

Sluiten