Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dan al het andere, dat het een offer, het offer van het geheele leven waard is: men gelooft niet aan de geldigheid van absolute waarden, men vertrouwt niet op hun realiseerbaarheid in de werkelijkheid.

Het aangrijpende en ontzettende van dezen tijd is minder, dat zoovele duizenden het geestesleven resoluut vijandig gezind zijn, dan dat aan breede scharen, die het wel willen aanhouden, de bodem ontzonken is, waarop het alleen krachtig en gezond tieren kan, dat ze het met het geestesleven niet volkomen oprecht kunnen meenen en „doen alsof".

Tot zoover Prof. de Sopper. Inderdaad, wanneer men dit alles in aanmerking neemt en dan onze samenleving toetst op haar gemeenschapsgehalte, dan blijkt zij allerminst van goed allooi te zijn.

Nu rijst de vraag of wij, als Vrijzinnig Protestanten, uitgaande van ons levensbeginsel hiertegenover in berusting mogen blijven staan, dan wel of ons een taak wacht ten opzichte van het gemeenschapsleven? Wel degelijk is een taak voor ons weggelegd. Het is niet mogelijk om die taak te zien in het licht van een bepaalde, met dogmatisch gezag omkleede maatschappijleer. Een specifiek Vrijzinnig Protestantsche sociologie, die ons zou binden in onze houding ten opzichte van de problemen der samenleving is er niet. Juist ten opzichte van deze problemen loopen de inzichten van Vrijzinnig Protestanten allerminst gelijk. Ik behoef daarop niet nader in te gaan, gij weet allen wel dat in onze kringen deze verschillen van inzicht in de problemen der samenleving bestaan. Maar er is een gemeenschappelijk richtsnoer, dat over al deze verschillen heenreikt: en dat richtsnoer is, dat geen maatschappijvorm als bevredigend kan worden aanvaard, die niet zooveel mogelijk wordt geregeerd door het gebod der naastenliefde.

Kan geloofd worden in een vorm van samenleving, die dit ideaal benadert? Is het te optimistisch, te verwachten, dat uit onze tegenwoordige samenleving met al haar scherpe kanten en met haar zoo verwarde en zoo verwrongen struktuur een samenleving zou kunnen groeien, die nader staat bij hetgeen ons godsdienstig verlangen ziet als het Koninkrijk Gods?

Wij mogen niet voorbijzien dat er strekkingen in onze samenleving vallen waar te nemen, die omhoog wijzen, en die voeren in de richting eener samenleving van hooger orde, met sterker gemeenschapsgehalte. Ik zou willen noemen het internationalisme, het streven om het contact tusschen volken onderling te vergemakkelijken en tegenstellingen te overbruggen, de Volkenbondsgedachte die, hoeveel critiek men ook op hare uitwerking in de tegenwoordige praktijk zou mogen uitoefenen toch zeker een lichtend punt in de geschiedenis der volkeren is, ik zou ook willen wijzen op de steeds toenemende kracht der vredesbeweging, op ordeningen, opgekomen en opkomend in de praktijk van het oeconomisch leven, zooals de organisatie der sociale verzekering die de maatschappelijk zwakkeren zooveel mogelijk tracht te beveiligen tegen de nadeelige gevolgen van ongeval, invaliditeit, ziekte, werkeloosheid, op jeugdzorg, op bestrijding van alcoholisme en tuberculose, op reclasseeringswerk en zooveel meer.

Wij hebben de samenleving dynamisch te beschouwen, in voortdurende beweging. Het geheel van de samenleving is voortdurend

Sluiten