Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

I

„DE MELÈ.ÜïfET'Il *DÊS HEMELS"

H. YII EN XLIY VAN JEREMIA.

IN

BIJDRAGE VAN

A. KUENEH.

Het zevende hoofdstuk van het boek Jeremia behelst het begin van eene strafrede, die hoogst waarschijnlijk in een der eerste regeeriagsjaren van Jojakim, 608 v. Chr. en verv., werd uitgesproken, maar zeker niet voor het 4de of 5de jaar van dien koning is opgeteekend. Nadat de profeet de verwoesting van den Jeruzalemschen tempel en den ondergang van het koninkrijk Juda heeft aangekondigd (vs. 2—15), zegt Jahwe hem, dat hij niet voor zijn volk behoeft te bidden, want dat het onheil toch niet is af te wenden (vs. 16). »Ziet gij niet" — zoo luidt het vervolg in de Statenoverzetting — »ziet gij niet, wat zij doen in de steden van Juda en op de straten van Jeruzalem? De kinderen lezen hout op, en de vaders steken het vuur aan, en de vrouwen kneden deeg, om gebeelde koeken te maken voor de Melecheth des hemels, en anderen goden drankoffers te offeren, om mij verdriet aan te doen" (vs. 17 v.).

Ongeveer 25 jaren later bevond Jeremia zich onder de Judeërs, die na den moord van Gedalja naar Egypte waren oevlucht. Ook daar moest hij, volgens H. XLIV, als boetprediker optreden en, op grond van de voortgezette vereering van andere goden, ia naam van Jahwe nieuwe strafgerichten aankondigen. Naar aanleiding daarvati ontspint

VEBSL. EN MEDED. AFD. LETTEKK 3de HEEKS. DEEC V, II

Sluiten