Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gezien 1). Thans komt de vraag aan de orde, of liet woord »Melecheth" die opvatting toelaat.

Wij onderstellen voorloopig de zuiverheid van den textus receptus, maar moeten nu aanstonds onderscheid maken tusschen zijn oudste bestanddeel, de medeklinkers, en de later daaraan toegevoegde klinkers. De vier consonanten M L C (of K) T kunnen op meer dan éene wijze van vocalen worden voorzien. Doch natuurlijk en eenvoudig is alleen de uitspraak malcath, die wij dan ook eenige malen in het O. Testament aantreffen 2). Malcath is de regelmatige vorm van den status constructus van malcah, »koningin", en als wij dien in den tekst vonden, gevolgd door h a ssjamaïm, dan zou »de koningin des hemels" de eenigmogelijke vertaling zijn. Doch er staat, zooals wij reeds weten, Melecheth hassjamaïm. Vanwaar deze afwijking van hetgeen wij verwachten zouden, en wat hebben de punctatoren met die vocalisatie bedoeld?

Vele grammatici, van de nieuweren o. a. J. Olshausen3) en Stade4) (in 1879), zien in melecheth een wèl ongewonen, maar toch regelmatigen en deugdelijken bijvorm van malcath. Het mannelijke male, ^koning", (gewoonlijk m e 1 e c h) kan ook m ë 1 a c h worden uitgesproken, en hiervan is het femininum mei ach th of, met invoeging van de vluchtige vocaal, melecheth. Evenzoo wordt van gëbar (— geber) de vrouwelijke vorm geba rth of gebereth gevormd, dien wij herhaaldelijk in het O. Testament aantreffen 6). — Hiermede kan evenwel niet worden ingestemd. Gebereth — het eenige voorbeeld van een zoodanigen vorm, dat men bijbrengt — is de status constructus, niet van gabrah, welk woord niet bestaat,

i) Vg. met het voorafgaande vooral Stade in de beide bovenge¬

noemde verhandelingen.

5)1 Kon. X: 1, 4, iO, 13; 2 Kron. IX: 1, 3, 9, 12.

3) Lehrb. der hebr. Sprache S. 281.

4) lehrb. der hebr. Grammatik 1: 147.

6) Gen. XVI: 4, 8 v.; 2 Kon. V: 3; Jez. XXIV: 2; Ps. CXXII1:2; Spr. XXX : 23 (telkens met pronomina suffixa)-, Jez. XLV11: 5, 7.

Sluiten