Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van t|^ö, sheerschen", maar van r]j<V, »zenden", en wel het bekende woord rDN^D, stat. constr. rox^D, »werk", »verrichting". Daar de aleph in dit woord rustende letter is, komen en n3XÏ>!D wa^ de uitspraak betreft volkomeu

overeen, en konden dus de punctatoren er te lichter toe overgaan, om bij het eerstgenoemde de kliukers te schrijven, die bij het tweede behooren. Het is geheel in hun geest, op die wijze, zonder verandering van de overgeleverde consonanten, hunne opvatting van hetgeen er eigenlijk staan moest in de vocalen uit te drukken: men denke aau het zoogenaamde Qerê perpetuum, en aan tal van andere voorbeelden. Hoe volkomen zij hun doel bereikt hebben, blijkt o. a. hieruit, dat in een aantal handschrifteu ge¬

schreven staat. A.ls variant heeft deze lezing, gelijk wij straks zien zullen, niet de minste waarde. Maar wèl als bewijs, dat melecheth, door een voorlezer uitgesproken, op den hoorder den indruk maakt van en daarom

door dezen, als hij tevens afschrijver is, aldus wordt teruggegeven.

Doch wij zijn nog niet waar wij wezen moeten. Wat hebben de punctatoren met hun melecheth hassjamaïru willen zeggen? Welke verklaring van die formule drukken zij in hunne vocalisatie uit? Die vraag is niet gemakkelijk te beantwoorden. Het woord behoudt wel altijd zijne

oorspronkelijke beteekeuis, maar wordt toch gebezigd in onderscheidene toepassingen. Wij willen ze kortelijk nagaau.

1°. Herhaaldelijk wordt PONÏ'Q gebruikt van het werk, dat de Levieten in het heiligdom verrichten ]). Daarvan, naar het schijnt, uitgaande heeft men het woord opgevat als een synonymum van HTQJ7, ?.arQsia, en dus 'Yn verklaard als: den dienst, of de vereering van dea hemel. Aldus reeds de Syrische vertaling ^19, waaraan men m. i. ten onrechte een anderen ziu heeft willen toekennen); zoo ook sommige latere Joodsche uitleggers o. a. Qimchi. Intusschen heeft deze opvatting van de meening der punctatoren alles tegen zich. Het is al aanstonds vreemd, dat

!)1 Kron. IX: 13; XXVIII: 13, 20; 2 Kron. XXIV : 12.

Sluiten