Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mininum lebana, eigenlijk: »de witte1' of »de bleeke", is zeldzaam en dichterlijk en komt daarnevens niet in aanmerking. Als godheid gedacht zal dus de maan waarschijnlijk een mannelijk wezen zijn geweest, Deus Lunus, niet Dea Luna. Bij de Babyloniërs en Assyriërs was het inderdaad zoo: Sïn is de maangod 1). Ik zou niet stoutweg durven stellen, dat het onder de Judeërs evenzoo moet zijn geweest, maar verlang toch bewijs vóórdat ik het tegendeel aanneem.

De eenige plaats van het O. Testament, die ons de vereering van de maan als het ware voor oogen plaatst, doet ons denken aan een god. Als Job, in het beroemde 319te hoofdstuk, verklaart onschuldig te zijn aan geheime huldiging van de hemellichten, dan drukt hij zich aldus uit: » Wanneer ik de zon aanzag, terwijl zij glansrijk scheen, en de maan, terwijl zij luistervol voortschreed" — en bezigt in den grondtekst beide malen een masculinum. Zooveel is zeker, dat de dichter daarbij aan de maan als hemelkoningin niet kan hebben gedacht.

Of zou deze overweging krachteloos worden gemaakt door de opmerking, dat Israël zich ook de planeet Venus als mannelijk wezen voorstelde? Wie dat beweert, denkt aan Jez. XIV : 12, waar een profeet der ballingschap den koning van Babel toespreekt met de bekende woordeu: »Hoe zijt gij van den hemel gevallen, Morgenster, zoon des dageraads, neergeploft op de aarde, gij die natiën ternederwierpt!" Doch ik ontken, dat hieruit zulk eene gevolgtrekking mag worden afgeleid. Voor »morgenster", zooals wij in navolging van LXX en Vulgata vertalen, staat in het Hebreeuwsch of een van elders onbekend, waarschijn¬

lijk door den profeet zei ven gesmeed woord, dat »glanzend" of «schitterend" beteekent. Werkelijk kan daardoor de morgenster zijn aangeduid, waarop het bijgevoegde »zoon des dageraads" rechtstreeks wijst. Doch den profeet stond, toen hij zoo schreef, minder de ster dan de Babylonische heerscher, dien hij er mede vergelijkt, voor den geest, gelijk hij dan ook in het parallelle verslid van het »terneder-

') Vg. Tiele 1. c. S. 523 f.; Sayce 1. c. p. 256.

Sluiten