Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

taal, behelzende deze woorden van den Koraa: »En als de dag des Heeren komt verbrijzelt hij dien, en het woord des Heeren is waarheid." Het grootste gedeelte van den bouw ziet er gestreept uit, daar men telkens een geele rij van koper en een zwarte van ijzer heeft. In den berg ziet men nog de groeve, waarin de deuren gegoten zijn, eu de plaats waar de ketels gestaan hebben, waarin het koper gemengd werd eu die waarin het lood met het koper gekookt werd, en metalen ketels met drie hengsels, waaraan kettingen en hakeu, in welke het koper naar boven werd gebracht. Wij vroegen aan die menschen of zij wel ooit een van Gog of van Magog gezien hadden. »Ja, zeiden ze, eens hebben wij een vrij groot getal boven op den berg gezien, maar een stormwind wierp ze weer naar beneden. Elk hunner scheen maar 1 '/3 span groot te wezen". De berg aan den buitenkant vertoont noch rug, noch helling. Hij is geheel kaal, zonder eenig gewas, glad en wit van kleur.

Toen wij nu wilden heengaan, sloegen de gidsen met ons den weg in naar Khorasan. Wij kwamen in eene plaats waarvan de koning al-Lob heette. Daarna kwamen wij in eene plaats waarvan de koning Tabanójan2) heette. Deze betaalt belasting (aan den vorst van Khorasan). Wij bleven daar eenige dagen en reisden toen verder over Isbischab en Osrüschana naar Samarkand, waar wij na 8 maanden reis aankwamen. Toen gingen wij naar Bokhara, trokken bij Tirmidk de rivier van Balkh (den Oxus) over en kwamen in Naisabür. Van mijne mannen had ik met inbegrip van degenen die wij ziek in verschillende dorpen hadden achtergelaten, 22 in de heenreis verloren. Die gestorven waren hadden wij in hunne kleederen begraven. Op de terugreis ontvielen mij nog 14. Toen wij dus te Naisabür kwamen, waren er slechts 14 over. De bezetting der forten had ons van de noodige levensmiddelen voor de terugreis voorzien. Wij begaven ons nu tot Abdallah ibn

')

5) jyUL Nójan beteekent heer; zie b. v. VFitsea, p. 266.

Sluiten