Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

3 - KLOPPEND - WIE IS DAAR?

IIL

1- TZLOPPEND, kloppend — Wie is daar? j\_ Wachtend, wachtend — Wonderbaar! 't Is een Pelgrim, vreemd en vorstlijk, Als op aarde nooit verscheen.

O, ontsluit voor Hem nu 't harte,

O, zend Hem niet weig'rond heen!

2. Kloppend, kloppend ! — Hij staat daar! Wachtend, wakend, — vreemd voorwaar! Maar de deur is toegesloten,

Door de dist'len dicht begroeid,

En de grend'len onbeweeglijk,

Door de klimop vastgeboeid.

3. Kloppend, kloppend ! — Hoe! steeds daar ? Wakend, wachtend, — o, 't is waar !

De doorboorde hand blijft kloppen,

En in 't wreedgekroond gelaat,

Stralen de oogen zacht en teeder,

Van nw Heer, die wachtend staat.

4 VERTROUWEN.

IV.

1. TZ"OMT, zondaars, komt met al uw leed Habt gij dan niet gehoord ?

Bij Jezus vindt gij eeuw'ge rust;

Verlaat u op Zijn woord!

KOOR.

Wilt gelooven, wilt gelooven !

Slechts op Hem vertrouwd!

Jezus redt u, ja Hij redt u,

Hij is uw behoud!

S, Uw Heiland gaf Zijn dierbaar bloed.

Opdat gij leven zoudt;

kruis is zaligheid voor u,

Ziju sterven, uw behoud.

Sluiten