Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

86 ZULLEN W' EENMAAL KOMEN?

CXVI.

1. nfULLEN w' eenmaal, eenmaal komf*n,

fj In dat oord zoo rein en schoon,

Aan de kristallijnen stroomen,

Vloeiend uit des Hemels troon?

koor.

Ja, wij zullen eenmaal komen Bij die frissche levensboomen,

Aan die kristallijnen stroomen,

Vlooiend nit des Hemels troon.

2. Aan den oever van die stroomen

Zien wij 's Heilands aangezicht;

Daar, vereend met alle vromen,

Wand'len w' in het eeuwig licht.

8. Eer wij naadren tot die stroomen Leggen w'alle lasten af,

O 't zal zijn alsof wij droomen,

Daar, aan gene zij' van 't graf.

4. Ja, wij zullen weldra komen In dat heerlijk, zalig oord,

Waar geen Vlacht ooit wordt vernomen,

Waar slecats 't loflied wordt gehoord.

67 GA, WERK IN MIJN WIJNGAARD.

CXIX

1. A, werk in mijn wijngaard, want de oogst is wel gro ot. \JC Maar d'arbeiders weinig en daaraan is nood," De grond moet geploegd en geëgd en gezaaid, Het onkruid gewied en het koren gemaaid,

En de schapen geweid en de lamm'ren gehoed, 't Verloor'ne gezocht en gered en gevoed ; En 't schadelijk gedvert' dat den wijngaard doorknaagt. Moet worden gedood, of gevangen, verjaagd.

koor.

Ga, werk in mijn wijngaard, ga, werk in mijn wijngaard, Ga, werk in mijn wijngaard want d' oogst is wel groot.

Sluiten