Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Yoor de Pestilentie die in de donckerheyt wandelt: voor 't Yerderf dat op den Middag verwoestet. Aen uwe Zijde sullender duysent vallen, ende tien duysent aen uwe Rechterbant : tot u en sal 't niet genaken. Alleenlick sult gy liet met uwe oogen aenscliouwen, ende gy sult de vergeldingen der Godt-losen sien. Want gij, Heere, zijt mijne Toevlucht, den Alderlioogsten hebt gy gesteld tot u Vertreck, u en sal geen quaet weder-varen, noch geen Plage sal uwe Teute naderen. Want hij sal sijne Engelen van u bevelen, dat zij u bewaren in alle uwe Wegen. Sy sullen u op de handen dragen op dat gy uwen voet aan geenen steen en stotet. Op den feilen Leeuw ende d'Adder sult gy treden , gy sult den jongen Leeuw, ende de Drake vertreden. Dewijle hij my seer bemint (spreekt Godt) soo sal ick hem uythelpen. Ick sal hem op eene Hoogte stellen , want hij kent mijnen Name, Hy sal mij aen-roepen ende ick sal hem verhoren : in de Benauwtheijt sal ick bij hom zijn, ick salder hem uyt-trecken, ende sal hem vereerlicken. Ick sal hem met Lanckheijt der Dagen versadigen, ende ick sal hem mijn Heyl doen sien."

Nauwelijks heeft de recht-priesterlijke huisvader dat bemoedigend woord voorgelezen en het, als naar gewoonte, laten volgen door een warm dankgebed, dat den Heere een welriekend avondoffer is, of daar gaat de klink van het houten voorportaal, dat tot de deur der kleine hut leidt, eensklaps op , en KLAEs-oom , de bode of veldwachter , treedt binnen, om Jo uit naam van den Maire of Burgemeester een papier te_ overhandigen , dat bijna niemand

Sluiten