Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gen, zicli gewasschen en gekleed had, nam hij — //wie weet, of 't niet voor liet laatst zou zijn \" — zijn oude plaatsjen nog eens in , om , ofschoon hij van weemoed aan geen eten denken kon, op aandrang van //moeders," die volstrekt niet wilde, dat hij in den vroegen morgen nuchter de deur uitging, toch nog een enkele bete broods te nemen.

De oude Janne voorzag bovendien uit haar //spaarpenningskens," zonder dat hij er iets van wist, den bonten reiszak, die Trine nog in haast voor hem genaaid had, van menige versnapering, ruilde zijn kerkboekjen, en lei er //Grootvaars" bijbeltjen voor in de plaats: „want aan wien kon ze 't beter geven dan aan hem !"

Met vader aan het hoofd, bevalen allen hem daarop Gode aan , terwijl ze hem daarna nog wel honderdmaal de verzekering afpersten, dat hij toch spoedig schrijven en nooit iets verbergen zou, tot buiten de deur uitgeleide deden, bedroefd nastaarden, en telkens als hij nog omkeek, vol geestdrift toewuifden , totdat hij uit het gezicht verdwenen was.

Met een beklemd hart, dat intusschen niet naliet den Heer zijn nooden en behoeften te kennen te geven, die hem wijselijk den alsembeker op de hand zette, ondernam hij de reis, totdat hij eindelijk de plaats zijner bestemming bereikt had, aan boord gebracht en gemonsterd was.

Al spoedig bespeurde hij, meer tot zijn droefheid dan tot zijn verbazing, dat er niet één onder al zijn kameradengevonden werd . die God vreesde.

Sluiten