Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

liera te versterken in het vaste geloof, dat Hij eeuwig dezelfde voor hem bleef.

Geen wonder, dat één der aanwezigen, die al die dingen aanhoorde, onder een vloed van tranen verzocht, om tot roem van Gods goedheid aan te heffen :

//Hoe zalig is het volk , dat naar Uw klanken hoort! Zij wandlen , Heer ! in 't licht van 't godlijk aanschijn voort. Zij zullen in Uw naam zich al den dag verblijden : Uw goedheid straalt hen toe; Uw macht schraagt hen in 't lijden. Uw onbezweken trouw zal nooit hun val gedoogen;

Maar Uw gerechtigheid hen naar uw woord verhoogen."

In één woord: de Heer woonde, als een verrassend God, in het midden.

Maar — wat schrik op eens!

Jan ziet, half gedachteloos, op naar de 1'riesche huisklok , die daar vóór hem hangt, en ontstelt zóó, dat hem als door een donderslag, eensklaps het zwijgen wordt opgelegd.

Te midden van al zijn opgewektheid, heeft hij niet op den tijd gelet.

Het is negen ure geslagen, zonder dat iemand er iets van gehoord heeft.

Vol verwijt, dat hij nu door eigen schuld in ongelegenheid komen en rechtvaardig gestraft worden zou , geeft hij dit den vrienden te kennen, en staat onmiddellijk op, terwijl een tweetal hein een eind weegs vergezellen zal, om hem langs den korsten weg //iiaar boord" te brengen.

Dankzeggend en zich zeiven in de gebeden der achter-

Sluiten